Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser, [V-nummer 1] , en
Inleiding
Beoordeling door de bestuursrechter
BV, had hij een arbeidsovereenkomst met
[werkgever] BV. Een dergelijke driehoeksconstructie maakt volgens eisers niet dat niet langer wordt voldaan aan de definitie van ‘kennismigrant’. Ten slotte voeren eisers aan dat het bestreden besluit voor hen onevenredige nadelige gevolgen heeft, zodat verweerder op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van intrekking had moeten afzien.
[werkgever] BVen bij de verlenging van eisers verblijfsvergunning niet (onmiddellijk) in actie is gekomen, kan geen toezegging worden afgeleid dat verweerder eisers verblijfsvergunning nooit zou intrekken. Hierbij is van belang dat verweerder blijkens het bestreden besluit en de zitting van 17 december 2025 op die momenten nog niet op de hoogte was van de door eiser opgezette driehoeksconstructie. Dit is door eisers niet bestreden. Op eiser rustte echter de plicht om relevante wijzigingen aan verweerder door te geven. Dit volgt uit artikel 4.17, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
[eigen bedrijf ] BVis er geen sprake meer van een gezagsverhouding, aangezien eiser de enige aandeelhouder en bestuurder van deze onderneming is. Alleen al daarom is verweerder terecht tot intrekking overgegaan. De omstandigheden dat eiser voldoende salaris verdiende en dat dit werd uitbetaald door
[werkgever] BVdoet hieraan niet af. Ook de verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep kan eisers niet baten, aangezien het daarin niet gaat om uitleg van het kennismigrantenbegrip.