ECLI:NL:RBDHA:2026:943

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
AWB 24 12494 15-1
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Vreemdelingenwet 2000Art. 19 Vreemdelingenwet 2000Art. 4:84 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:4 Algemene wet bestuursrechtArt. 14 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning kennismigrant wegens zelfstandige arbeid

Eisers, beiden van Indiase nationaliteit, hadden verblijfsvergunningen als kennismigrant en als gezinslid. Verweerder trok deze vergunningen in omdat eiser niet langer als kennismigrant werkte maar als zelfstandige voor zijn eigen bedrijf, waardoor niet meer aan de voorwaarden werd voldaan.

Eisers voerden aan dat zij nog steeds voldeden aan de voorwaarden, dat er sprake was van een driehoeksconstructie met een arbeidsovereenkomst en dat het intrekken onevenredige gevolgen had. Verweerder stelde dat de arbeidsverhouding ontbrak omdat eiser voltijds werd uitgeleend aan zijn eigen onderneming, zonder gezagsverhouding.

De rechtbank oordeelde dat een arbeidsmarktaantekening niet afdoet aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden. De zelfstandige positie van eiser maakte dat de vergunning terecht was ingetrokken. Ook waren de gevolgen van het besluit niet onevenredig in verhouding tot het doel.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en handhaafde het bestreden besluit tot intrekking van de verblijfsvergunningen.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunningen wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/12494

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, [V-nummer 1] , en

[eiseres], eiseres, [V-nummer 2]
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. D. Hoxha),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Inleiding

In het besluit van 9 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de intrekking van hun verblijfsvergunningen ongegrond verklaard.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep geagendeerd op de zitting van 2 juli 2025. Deze is echter geannuleerd vanwege verhindering van de gemachtigde van eisers.
Op 17 december 2025 heeft de rechtbank het beroep op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde alsmede haar kantoorgenoot mr. B.J. Maes. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de bestuursrechter

1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 1978 en [geboortedag 2] 1978 en hebben de Indiase nationaliteit.
2. Op 12 januari 2018 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’. Deze is laatstelijk verlengd op 10 januari 2023. Eiseres is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [eiser] ’, geldig van 7 december 2018 tot 1 december 2023.
3. Op 7 december 2023 heeft verweerder het voornemen geuit om de verblijfsvergunningen van eisers in te trekken omdat zij niet meer voldoen aan de voorwaarden voor deze vergunningen. Op 12 januari 2024 hebben eisers bij verweerder een zienswijze ingediend.
4. In het besluit van 13 februari 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunningen van eisers ingetrokken met terugwerkende kracht tot 12 augustus 2022 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, gelezen in samenhang met artikel 19 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Hierin staat dat een verblijfsvergunning kan worden ingetrokken als niet meer wordt voldaan aan de beperking waaronder deze is verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet meer werkzaam is als kennismigrant maar als zelfstandige, aangezien hij voltijds wordt uitgeleend aan zijn eigen bedrijf. Het verblijfsrecht van eiseres is afhankelijk van dat van eiser en moet volgens verweerder om die reden ook worden ingetrokken.
5. Eisers hebben bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. In overleg heeft er geen hoorzitting plaatsgevonden. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
6. Met het bestreden besluit zijn eisers het niet eens. Zij voeren in de eerste plaats aan dat er geen grond was voor intrekking omdat eiser blijkens zijn arbeidsmarktaantekening vrij was op de arbeidsmarkt. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:619. Hierbij is er volgens eisers sprake van strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat verweerder bij de aanmelding van eisers dienstverband en bij de verlenging van zijn verblijfsvergunning geen actie heeft ondernomen. In de tweede plaats voeren eisers aan dat er geen grond was voor intrekking omdat er nog steeds aan alle voorwaarden werd voldaan. Hoewel eiser werd ingeleend aan zijn [eigen bedrijf ]
BV, had hij een arbeidsovereenkomst met
[werkgever] BV. Een dergelijke driehoeksconstructie maakt volgens eisers niet dat niet langer wordt voldaan aan de definitie van ‘kennismigrant’. Ten slotte voeren eisers aan dat het bestreden besluit voor hen onevenredige nadelige gevolgen heeft, zodat verweerder op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van intrekking had moeten afzien.
7. Verweerder heeft tijdens de zitting van 17 december 2025 op de beroepsgronden gereageerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit juist is. Door feitelijk als zelfstandige voor zijn eigen onderneming te gaan werken, voldeed eiser niet meer aan de voorwaarden. Hierbij heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 mei 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:7441. Verder is niet gebleken van andere gevolgen dan die welke rechtstreeks uit de intrekking voortvloeien, zodat het bestreden besluit niet onevenredig is.
De rechtbank oordeelt als volgt.
8. Blijkens het dossier zijn eisers na het bestreden besluit in het bezit gesteld van andere verblijfsvergunningen. Ondanks dat zij weer rechtmatig verblijf in Nederland hebben, bestaat er nog steeds een belang bij het voortzetten van deze procedure. Als de intrekking in stand blijft, zouden de in de relevante periode door eisers opgebouwde jaren van rechtmatig verblijf in Nederland namelijk komen te vervallen. Vanwege dit zogenoemde ‘verblijfsgat’ zouden eisers dan minder snel in aanmerking komen voor voortgezet verblijf, bijvoorbeeld in de vorm van naturalisatie. De rechtbank zal de zaak dan ook inhoudelijk behandelen.
9. Op grond van artikel 14, derde lid, van de Vw wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, die nader zijn omschreven in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Elke beperking brengt bepaalde voorwaarden met zich, waaraan de houder van de verblijfsvergunning zich dient te houden. Gelet op dit stelsel kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij mocht afgaan op zijn arbeidsmarktaantekening. Een arbeidsmarktaantekening is niets meer dan een vermelding op een verblijfsdocument over de mate van toegang tot de arbeidsmarkt van de betrokkene. Deze vermelding laat onverlet dat volledig aan de voorwaarden behorend bij de betreffende beperking moet worden voldaan.
10. De door eisers aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022 is geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit deze uitspraak kan namelijk niet alsnog worden afgeleid dat een arbeidsmarktaantekening de voorwaarden behorend bij een beperking kan doorbreken. Dat vraagstuk was ook overigens in die zaak niet aan de orde, aangezien het daarin niet ging om de houdbaarheid van een verblijfsvergunning onder een beperking maar om de houdbaarheid van een boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen.
11. Eisers kunnen ook niet worden gevolgd in de stelling dat er in strijd met het vertrouwensbeginsel is gehandeld. Daarvoor is een toezegging of gedraging van de overheid vereist waaruit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon worden afgeleid dat een bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid (niet) zou uitoefenen. Hieraan is in dit geval niet voldaan. Uit de omstandigheden dat verweerder bij de aanmelding van eisers dienstverband bij
[werkgever] BVen bij de verlenging van eisers verblijfsvergunning niet (onmiddellijk) in actie is gekomen, kan geen toezegging worden afgeleid dat verweerder eisers verblijfsvergunning nooit zou intrekken. Hierbij is van belang dat verweerder blijkens het bestreden besluit en de zitting van 17 december 2025 op die momenten nog niet op de hoogte was van de door eiser opgezette driehoeksconstructie. Dit is door eisers niet bestreden. Op eiser rustte echter de plicht om relevante wijzigingen aan verweerder door te geven. Dit volgt uit artikel 4.17, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
12. Op grond van artikel 3.30a van het Vb kan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’. Het begrip ‘kennismigrant’ is gedefinieerd in artikel 2.1 van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2022 (BuWav). Volgens lid 1, aanhef en onder a, ten eerste, van het BuWav moet een kennismigrant worden tewerkgesteld op basis van een arbeidsovereenkomst of een ambtelijke aanstelling en moet een kennismigrant een bepaald salaris verdienen. Volgens lid 2 moet tewerkstelling geschieden bij een werkgever die door verweerder is erkend als referent zoals bedoeld in artikel 2c van de Vw. Uit deze bepalingen volgt dat tussen een kennismigrant en zijn werkgever een arbeidsverhouding en daarmee een gezagsverhouding moet bestaan. Aldus ook de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1449, onder rechtsoverweging 3.1. Sinds eiser zich voltijds heeft laten inlenen bij
[eigen bedrijf ] BVis er geen sprake meer van een gezagsverhouding, aangezien eiser de enige aandeelhouder en bestuurder van deze onderneming is. Alleen al daarom is verweerder terecht tot intrekking overgegaan. De omstandigheden dat eiser voldoende salaris verdiende en dat dit werd uitbetaald door
[werkgever] BVdoet hieraan niet af. Ook de verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep kan eisers niet baten, aangezien het daarin niet gaat om uitleg van het kennismigrantenbegrip.
13. Artikel 4:84 van Pro de Awb bepaalt dat bestuursorganen volgens hun eigen beleidsregels handelen, tenzij dit voor een belanghebbende onevenredige gevolgen heeft. Eisers kunnen geen beroep doen op het tenzij-gedeelte van deze bepaling omdat het bestreden besluit niet (mede) berust op een beleidsregel in de zin van de Awb. De door eisers overgelegde ‘Nieuwsbrief Zakelijk’ van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 1 augustus 2022 is niet als zodanig aan te merken, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat beleidsregels van de centrale overheid in de Staatscourant moeten worden gepubliceerd. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1171. Verder is niet gesteld of gebleken dat de inhoud van deze nieuwsbrief is doorgevoerd in een vaste beslispraktijk, zodat deze verweerder ook niet kan binden via het gelijkheidsbeginsel.
14. Dit laat echter onverlet dat artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bepaalt dat een besluit voor een belanghebbende geen gevolgen mag hebben die onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In de uitspraken van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190 en ECLI:NL:CBB:2024:191, is geoordeeld dat ook besluiten die berusten op een gebonden bevoegdheid neergelegd in een algemeen verbindend voorschrift, zoals het Vb, kunnen worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel aan de hand van de drie criteria geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid. Eisers hebben erop gewezen dat zij vanwege het bestreden besluit later in aanmerking komen voor voortgezet verblijf, ondanks dat zij al acht jaar in Nederland zijn en een goede baan hebben. Dit zijn echter geen gevolgen die in het specifieke geval van eisers bijzonder zijn, maar gevolgen die rechtstreeks voortvloeien uit de intrekking. Verweerder heeft anderzijds een legitiem belang bij juiste toepassing van de kennismigrantenregeling. Hierbij verwijst de rechtbank naar de vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2285, onder rechtsoverweging 6.1. De door eisers ingeroepen gevolgen zijn aldus geen gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met de intrekking beoogde doelen.
15. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Het bestreden besluit blijft in stand.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.