Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9372

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
24/8292
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PwArt. 31 PwArt. 32 PwArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing energietoeslag wegens inkomen boven norm en studiefinancieringsmogelijkheden

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor de eenmalige energietoeslag 2023 door het college van burgemeester en wethouders van Delft. Het college wees de aanvraag af omdat het inkomen van eiser in december 2023 boven de inkomensgrens lag. Eiser betwistte de juistheid van de inkomensvaststelling en voerde aan dat bijzondere beloningen zoals vakantiegeld en winstuitkering niet tot het inkomen behoren.

De rechtbank oordeelt dat het college het inkomen correct heeft vastgesteld volgens de Participatiewet en de beleidsregels van de gemeente Delft. De vakantietoeslag en winstuitkering behoren tot het inkomen en het loon over de referteperiode is juist berekend, ook al heeft eiser op enkele dagen niet gewerkt. Daarnaast heeft het college beoordeeld of er bijzondere omstandigheden waren om van het beleid af te wijken, maar gezien het recht op studiefinanciering en de hoogte van het gemiddelde jaarinkomen was dat niet het geval.

Eiser stelde dat het onredelijk was alleen naar december 2023 te kijken vanwege wisselende inkomsten en zijn status als student zonder studiefinanciering. De rechtbank volgt dit niet en verwijst naar vaste rechtspraak dat studenten studiefinanciering als inkomen moeten meenemen, ook als zij deze niet daadwerkelijk ontvangen. Ook is het onderscheid tussen studenten en bijstandsgerechtigden objectief gerechtvaardigd.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het college de afwijzing van de energietoeslag mag handhaven. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak is gedaan door rechter A.H. Bergman op 10 april 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de energietoeslag wordt ongegrond verklaard omdat het inkomen van eiser boven de norm ligt en studiefinanciering als inkomen wordt meegeteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8292

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: F. el Khabazi),
en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, het college

([gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om de eenmalige energietoeslag 2023. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag heeft kunnen afwijzen. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 april 2024 een aanvraag ingediend voor de eenmalige energietoeslag 2023. Met het besluit van 2 mei 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het inkomen van eiser in de maand december 2023 boven de inkomensgrens lag waardoor er geen recht op de energietoeslag bestaat.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Op verzoek van de gemachtigde van eiser is de behandeling verplaatst naar 11.00 uur ’s ochtends. De rechtbank heeft dit bij brief van 29 januari 2026 aan partijen bevestigd. De gemachtigde van eiser is niet op dit tijdstip verschenen. In haar e-mail van 19 maart 2026 heeft zij laten weten dat ze op het oorspronkelijke tijdstip van de behandeling was verschenen en dat zij de brief van 29 januari 2026 niet heeft ontvangen. De rechtbank ziet geen reden om hier gevolgen aan te verbinden. De gemachtigde van eiser heeft namelijk niet verzocht om een nieuwe zitting. Ook als zij dit wel had gedaan, zou de rechtbank hieraan voorbij zijn gegaan. De brief van 29 januari 2026 is namelijk naar het juiste adres verzonden en eerdere post is ook ontvangen.
2.3.
De gemachtigde van het college heeft aan de zitting deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wanneer bestaat er recht op de energietoeslag?
3. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) kan er recht bestaan op bijzondere bijstand. Deze kosten worden onder bepaalde voorwaarden vergoed. Onder meer moeten de kosten noodzakelijk zijn en moet een betrokkene onvoldoende vermogen en inkomsten hebben om de kosten zelf te dragen.
3.1.
Om categoriale verstrekking van de energietoeslag mogelijk te maken is artikel 35 van Pro de Pw gewijzigd. [1] Op grond van het vierde lid kan, in afwijking van het eerste lid, voor het jaar 2023 tot en met 31 augustus 2024 bijzondere bijstand ook aan een alleenstaande of een gezin worden verleend in de vorm van een eenmalige energietoeslag, zonder dat wordt nagegaan of die alleenstaande of dat gezin in dat jaar een sterk gestegen energierekening had. De achtergrond en bedoeling van de wetgever bij deze wetswijziging is te vinden in de memorie van toelichting. [2]
3.2.
De wetgever heeft gemeenten de bevoegdheid gegeven om in 2023 een eenmalige energietoeslag toe te kennen aan huishoudens met een laag inkomen. Gemeenten hebben de vrijheid gekregen om zelf de voorwaarden voor de energietoeslag nader in te vullen. [3] Het college heeft deze voorwaarden neergelegd in de Beleidsregel eenmalige energietoeslag 2023 gemeente Delft (de Beleidsregel).
3.3.
In artikel 2, eerste, tweede en derde lid, van de Beleidsregel is bepaald dat de energietoeslag is bedoeld voor huishoudens met een laag inkomen. Van een laag inkomen is sprake als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. Huishoudens met een in aanmerking te nemen inkomen tussen 120% en 130% van de voor hen geldende bijstandsnorm komen in aanmerking voor een energietoeslag van € 200,-. Op grond van artikel 1, onder f en g, van de Beleidsregel wordt met de referteperiode bedoeld de volledige maand december 2023.
3.4.
Uit de door eiser overgelegde loonstroken volgt dat zijn inkomen in de maand december 2023 in totaal € 1.959,41 bedroeg. De grens voor de energietoeslag is € 1.581,61 (130% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande). Aangezien het inkomen van eiser boven de grens van de energietoeslag ligt, heeft het college de aanvraag afgewezen.
Is het inkomen juist vastgesteld?
4. Eiser voert aan dat het college zijn inkomen onjuist heeft vastgesteld. De bijzondere beloningen die eiser maandelijks ontvangt, zoals de vakantietoeslag en de winstuitkering, behoren niet tot zijn inkomen. Deze bedragen zijn namelijk bedoeld voor een toekomstig moment. Daarnaast heeft eiser op 1, 2 en 3 december 2023 niet gewerkt, maar rekent het college aan deze dagen wel inkomen toe.
4.1.
Voor de vaststelling van de draagkracht moet worden aangesloten bij het inkomensbegrip van artikel 35, eerste lid, van de Pw. Met het inkomen genoemd in artikel 35, eerste lid, van de Pw is gedoeld op het inkomen als bedoeld in artikel 31 van Pro de Pw, vermeerderd met de in het tweede lid daarvan genoemde posten. Het college mag bepalen met welk deel van het in aanmerking te nemen inkomen boven de bijstandsnorm rekening wordt gehouden.
4.2.
Het college heeft in de beleidsregels bepaald dat met inkomen wordt bedoeld het totaal van het inkomen uit dienstverband, pensioenen, sociale verzekeringen en het inkomen als zelfstandige. Het college heeft geen nadere invulling gegeven aan het begrip inkomen. Daarom is op dit punt de Pw van toepassing. Ingevolge artikel 32, tweede lid, van de Pw wordt de betaling van uitgesteld inkomen, zoals een vakantietoeslag, dertiende maand of winstdelingsregeling tot het inkomen gerekend. De betaling daarvan moet worden toegerekend aan de periode waarin de aanspraak daarop is ontstaan. Dit betekent dat het college de vakantietoeslag en winstuitkering die eiser maandelijks ontvangt terecht als inkomen heeft aangemerkt, omdat deze niet zijn uitgesloten van het inkomensbegrip.
4.3.
Uit de Beleidsregel volgt verder dat het inkomen per kalendermaand wordt vastgesteld. Aangezien eiser zijn inkomen per vier weken ontvangt, staat het salaris over de kalendermaand december 2023 verdeeld over twee loonstroken, namelijk over de periode 6 november 2023 tot en met 3 december 2023 en over de periode van 4 december 2023 tot en met 31 december 2023. Om het inkomen over de kalendermaand december 2023 vast te stellen moet dus het gedeelte van het loon van november 2023 dat wordt toegerekend aan de periode 1, 2 en 3 december 2023, als inkomen in de referteperiode worden beschouwd. Dat eiser op deze dagen niet daadwerkelijk heeft gewerkt doet hier niet aan af.
4.4.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding te concluderen dat het college het inkomen van eiser onjuist heeft vastgesteld.
Had het college in dit geval van de beleidsregels moeten afwijken?
5. Eiser stelt dat het onredelijk is dat het college alleen naar zijn inkomen in de referteperiode december 2023 heeft gekeken. Zijn inkomsten waren in die maand namelijk hoger dan normaal omdat hij meer kon werken. Zijn inkomsten zijn door het jaar heen wisselend. Daar komt bij dat eiser op het moment van de aanvraag een student was. Hij ontving geen studiefinanciering of financiële hulp van zijn ouders. Daarmee verschilt zijn situatie van mensen met een bijstandsuitkering, die hebben namelijk geen extra kosten vanwege hun studie. Ook moest eiser meer dan zes maanden onbetaald stage lopen. Op de momenten dat hij wel tijd had om veel te werken, werkte hij om zo de periode waarin hij stage liep te kunnen overbruggen. Bovendien was eiser als student jarenlang was uitgesloten van de energietoeslag.
5.1.
De beleidsregels kennen een hardheidsclausule. In artikel 6 staat Pro dat het college, gelet op alle omstandigheden, in het individuele geval kan beoordelen of de aanvrager in afwijking van de beleidsregels alsnog in aanmerking komt voor de toeslag. Daarnaast kent de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in artikel 4:84 een Pro vangnetbepaling. In dit artikel staat dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
5.2.
Het college heeft in dit kader beoordeeld of er in de situatie van eiser bijzondere omstandigheden zijn die het noodzakelijk maken om af te wijken van het beleid. Hiertoe heeft het college alle loonstroken uit 2023 bij eiser opgevraagd. Op basis hiervan heeft het college het gemiddelde maandinkomen van eiser vastgesteld op € 1.261,02. Omdat eiser een student was, had hij ook recht op een studielening van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). De lening moet worden meegenomen in de berekening van het maandinkomen. Eisers maandinkomen over 2023 moet daarom worden vastgesteld op € 2.211,91. Gelet hierop lag het inkomen van eiser in 2023 ver boven de norm en is de energietoeslag terecht afgewezen. Over de periode van 1 maart 2023 tot en met 30 juni 2023 heeft eiser een aanvullende beurs van DUO ontvangen. Studenten die recht hebben op studiefinanciering komen niet voor de eenmalige energietoeslag in aanmerking. Studenten konden in plaats daarvan via DUO een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten ontvangen over het studiejaar 2023-2024, aldus het college.
5.3.
De rechtbank is met het college van oordeel dat de wisselende inkomsten van eiser niet tot de conclusie hoeven leiden dat het college van de Beleidsregel moet afwijken. Het college heeft beoordeeld of in de individuele situatie van eiser bijzondere omstandigheden zijn die het noodzakelijk maken om af te wijken van het beleid. De rechtbank ziet daarbij geen aanleiding voor het oordeel dat het college het recht op studiefinancierings-
mogelijkheden van eiser niet in aanmerking heeft kunnen nemen. Volgens vaste rechtspraak mag, gelet op het aanvullende karakter van de bijstand, van een student die bijstand aanvraagt namelijk worden gevergd dat hij een basislening bij de DUO aangaat, ook als hiermee een schuld wordt opgebouwd. Ook als de betrokkene feitelijk geen gebruik maakt van de studiefinancieringsmogelijkheden, kan dit als inkomen worden gezien. [4] Daarnaast konden studenten in plaats van de energietoeslag een eenmalige tegemoetkoming voor energiekosten ontvangen over het studiejaar 2023-2024 van de DUO. Het is onduidelijk gebleven of eiser deze heeft ontvangen. Eiser heeft daarnaast ook niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van het niet toekennen van de energietoeslag vanwege bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de met de Beleidsregel te dienen doelen.
Is er sprake van een ongerechtvaardigd onderscheid?
6. Eiser voert aan dat het oneerlijk is dat mensen met een bijstandsuitkering wel in aanmerking komt voor de energietoeslag, terwijl eiser een jaarinkomen heeft dat onder de bijstandsnorm ligt en daarmee niet in aanmerking komt voor de energietoeslag. Daarnaast heeft eiser ook geen recht op andere minimavoorzieningen die mensen met een bijstandsuitkering wel ontvangen.
6.1.
Voor zover eiser hiermee bedoelt dat er een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen studenten en personen die een bijstandsuitkering ontvangen, overweegt de rechtbank als volgt. Het verschil in behandeling tussen eiser en personen met een bijstandsuitkering komt voor uit het feit dat eiser als student aanspraak heeft op studiefinanciering, al dan niet in de vorm van een lening. De CRvB heeft geoordeeld dat de ongelijke behandeling van studenten in vergelijking met andere minima met betrekking tot het recht op energietoeslag objectief gerechtvaardigd is. [5] Hieruit kan worden afgeleid dat het ook gerechtvaardigd is om studenten die aanspraak maken op het normbedrag voor de studiefinanciering in dit kader anders te behandelen dan andere minima.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. Bergman, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze wijziging is in werking getreden op 26 augustus 2022: Staatsblad 2022, 321
2.Kamerstukken II 2021/2022, 36 057, nr. 3, p. 4.
3.Kamerstukken II 2022/23, 36 389, nr. 3, p. 6.
4.Zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 januari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:331, 12 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2523 en 26 november 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2327.
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 29 februari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:304.