Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9367

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
17 april 2026
Zaaknummer
23/782
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 PwArt. 34 PwArt. 45 PwArt. 54 PwArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens inkomen boven norm

Eiser ontving sinds maart 2019 een bijstandsuitkering en verrichtte seizoensgebonden werkzaamheden. Het college trok de bijstand in per 1 juni 2021 vanwege inkomsten boven de bijstandsnorm en vorderde te veel ontvangen bijstand terug. Eiser betwistte dit en stelde dat het college het inkomen onjuist had vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht de bijstand introk omdat het inkomen in juni, juli en augustus 2021 boven de norm lag. Wel was het terugvorderingsbedrag over juni 2021 onjuist vastgesteld doordat inkomsten van begin juli ten onrechte aan juni werden toegerekend. Dit leidde tot een correctie van het terugvorderingsbedrag.

Verder faalde het beroep van eiser dat het college had moeten middelen over de gehele periode en dat afspraken hierover waren gemaakt. Het college handhaafde de intrekking vanaf 1 juli 2021 terecht. Ook het bezwaar dat spaargeld opgebouwd tijdens bijstand niet als vermogen mag worden aangemerkt, werd verworpen.

De rechtbank vernietigt het besluit voor zover het terugvordering over juni 2021 betreft, stelt het bedrag vast op €907,99, en laat de intrekking vanaf 1 juli 2021 in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De bijstandsuitkering is terecht ingetrokken vanaf 1 juni 2021, maar het terugvorderingsbedrag over juni 2021 wordt verlaagd tot €907,99.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/782

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. L. Orie)
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college

([gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering die eiser op grond van de Participatiewet (Pw) heeft ontvangen. Eiser is het er niet mee eens dat zijn bijstandsuitkering is ingetrokken en teruggevorderd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de bijstandsuitkering van eiser terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Het college heeft echter het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 onjuist vastgesteld. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
.

Procesverloop

2. Bij besluit van 28 december 2021 (primair besluit 1) heeft het college de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 1 juli 2021 omdat eiser onvoldoende inzage heeft gegeven in zijn boekhouding waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.
2.1.
Bij besluit van 13 juli 2022 (primair besluit 2) heeft het college primair besluit 1 ingetrokken. Het college heeft het recht op bijstand ingetrokken met ingang van 1 juni 2021 en heeft het recht op bijstand beëindigd vanaf 1 juli 2021. Ook heeft het college € 1.075,44 aan te veel ontvangen bijstand over de maand juni 2021 teruggevorderd. Verder komt eiser vanaf 1 september 2021 niet opnieuw in aanmerking voor bijstand omdat zijn vermogen boven de norm uitkomt.
2.2.
Met het bestreden besluit van 21 december 2022 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hierbij was de gemachtigde van het college aanwezig. Eiser en zijn gemachtigde hebben deelgenomen met behulp van een beeldverbinding.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser ontving sinds 22 maart 2019 een bijstandsuitkering. Eiser verrichtte daarbij seizoensgebonden werkzaamheden voor zwembad [naam]. De inkomsten werden met zijn bijstandsuitkering verrekend. Op 11 mei 2021 heeft eiser toestemming gekregen om met behoud van zijn bijstandsuitkering een eigen bedrijf te starten voor de periode van 21 mei 2021 tot en met 31 december 2021. Bij brief van 28 oktober 2021 heeft het college aan eiser verzocht om uiterlijk 4 november 2021 zijn boekhouding met betrekking tot zijn werkzaamheden over te leggen. Bij brief van 9 november 2021 heeft het college eiser nogmaals verzocht om zijn boekhouding. Bij brief van 30 november 2021 heeft het college aan eiser medegedeeld dat niet alle gevraagde gegevens zijn overgelegd. Vervolgens heeft het college de primaire besluiten genomen.
3.1.
Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de inkomsten van eiser in de maanden juni, juli en augustus van 2021 hoger waren dan de voor hem geldende bijstandsnorm. In deze periode bestond er daarom geen recht op bijstand. Bij incidenteel inkomen boven de bijstandsnorm wordt de bijstandsuitkering in principe na twee maanden beëindigd. Het college ziet geen reden om hier in het geval van eiser van af te wijken. Dat verzuimd is om middels overleg tot maatwerk te komen, doet niets af aan het wettelijk kader dat vereist dat de ontvanger van bijstand in bijstandsbehoevende omstandigheden moet verkeren. Hiervan was bij eiser kennelijk geen sprake, nu hij inkomen boven de bijstandsnorm had en hij naar eigen zeggen pas in december 2021 opmerkte dat hij geen bijstand meer ontving. Er is daarom terecht besloten de bijstandsuitkering in te trekken met ingang van 1 juni 2021. Daarnaast stelt het college vast dat in primair besluit 2 ten onrechte wordt gesproken over het beëindigen van bijstand per 1 juli 2021. De formele grondslag van het besluit is artikel 54, derde lid, van de Pw. Dit gebrek wordt hersteld in de beslissing op bezwaar.
Wat oordeelt de rechtbank?
4. De te beoordelen periode loopt van 1 juni 2021 (datum met ingang waarvan de bijstandsuitkering is ingetrokken) tot en met 13 juli 2022 (datum intrekkingsbesluit).
4.1.
Het besluit tot intrekking en terugvordering van een bijstandsuitkering is een voor betrokkene belastend besluit. Dit betekent dat het op de weg van het college ligt om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering is voldaan.
Inlichtingenverplichting
5. Eiser heeft zijn beroepsgrond dat het college ten onrechte stelt dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden op zitting laten vallen. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen nadere bespreking.
Is er sprake van inkomsten boven de bijstandsnorm?
6. Eiser voert aan dat het college zijn inkomsten in de maand juni 2021 onjuist heeft vastgesteld. De facturen die eiser heeft overgelegd zijn per week opgesplitst. Doordat week 26 slechts voor een deel in de maand juni 2021 valt heeft het college ten onrechte de inkomsten op 2 juli 2021 en 3 juli 2021 toegerekend aan juni 2021. Dit leidt tot een correctie van het maandinkomen met een bedrag van € 157,12, waardoor het inkomen van eiser in de maand juni 2021 niet boven de bijstandsnorm uitkomt.
6.1.
In artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw is geregeld dat het inkomen dient te worden toegerekend aan de periode waarop dit betrekking heeft. De periode waarop de inkomsten betrekking hebben is bij inkomsten uit arbeid de periode waarin de arbeid is verricht. [1]
6.2.
Uit artikel 45, eerste lid, van de Pw, volgt dat het recht op bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld. Als er sprake is van inkomsten boven de bijstandsnorm, is er geen recht op bijstand.
6.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser over de periode van juni 2021 tot en met augustus 2021 inkomsten heeft ontvangen uit zijn werkzaamheden bij het zwembad die verrekend moeten worden met zijn recht op bijstand. Het college heeft de intrekking gebaseerd op de inkomsten die volgen uit de facturen die eiser heeft overgelegd.
6.4.
Het college heeft ter zitting erkend dat het inkomen van eiser over de maand juni 2021 op basis van de factuur van week 22 tot en met 26 onjuist is vastgesteld. Het college heeft namelijk de uren die eiser heeft gewerkt in week 26 volledig toegerekend aan de maand juni 2021, terwijl uit het urenoverzicht dat eiser heeft overgelegd volgt dat hij op 2 juli 2021 en 3 juli 2021 in totaal 8 uur heeft gewerkt. Deze dagen vallen in week 26 maar deze inkomsten moeten worden toegerekend aan de maand juli 2021. Dit heeft als gevolg dat de inkomsten van eiser in de maand juni 2021 lager vastgesteld moeten worden. Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 juni 2021 verlaagd wordt vastgesteld op € 907,99.
6.5.
Deze beroepsgrond slaagt.
Mocht het college het recht op bijstand intrekken?
7. Eiser voert aan dat het college heeft afgeweken van zijn eigen afspraken door niet aan het einde van de periode van mei 2021 tot met december 2021 te evalueren of hij genoeg inkomsten had om de bijstand uit te stromen. Het college heeft ten onrechte niet de inkomsten uitgesmeerd over de gehele periode. Als het college eiser duidelijk had geïnformeerd dat de bijstandsuitkering zou worden stopgezet bij tijdelijk, incidenteel inkomen boven de bijstandsnorm, had hij een andere keuze gemaakt. De jaren hiervoor heeft eiser hier geen problemen mee gehad.
7.1.
Uit artikel 45, derde lid, aanhef en onder a van de Pw volgt dat het recht op bijstand kan worden beëindigd als gedurende 30 dagen geen recht bestaat.
7.2.
Uit artikel 5.4.1 van de Uitvoeringsrichtlijnen en werkinstructies Werk, Participatie en Inkomen 2022 volgt dat het college de gedragsregel hanteert dat als gedurende twee maanden sprake is van inkomen boven de bijstandsnorm, de bijstandsuitkering (met terugwerkende kracht) wordt ingetrokken. In de situatie dat er sprake is van een wisselend inkomen, is overleg met de inwoner noodzakelijk. Op die manier is het mogelijk om direct in te spelen op eventueel gewijzigde omstandigheden en samen me de inwoner tot een goede oplossing te komen.
7.3.
De gedragsregel die het college hanteert is niet in strijd met de Pw. [2]
7.4.
De inkomsten van eiser uit zijn werkzaamheden voor het zwembad lagen in ieder geval in de maanden juli 2021 en augustus 2021 boven de voor hem geldende bijstandsnorm. Het college heeft daarom het recht op bijstand mogen intrekken met ingang van 1 juli 2021. Het is de rechtbank niet gebleken dat het college niet in redelijkheid aan zijn gedragsregel mocht vasthouden. Voor zover er afspraken zijn gemaakt tussen eiser en het college zagen deze op de werkzaamheden die eiser zou gaan uitvoeren als zelfstandige. Het zou daarbij gaan om IT-activiteiten en webdesign. Deze afspraken zijn neergelegd in het besluit van 11 mei 2021. De evaluatie aan het eind van het kalenderjaar was bedoeld om in het kader van de re-integratie na te aan of volledige uitstroom mogelijk was. Dat eiser zijn seizoensgebonden werkzaamheden bij het zwembad ook onder zijn bedrijf zou scharen en dat hij als ZZP’er een hoger tarief kon en zou gaan vragen, was niet bij het college bekend. Eiser heeft hiervoor zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel al webdesigner gebruikt. Met de IT-activiteiten heeft eiser vervolgens geen inkomen verworven. Het college is hier pas later mee bekend geworden. Voor zover eiser de bedoeling had om het inkomen van mei 2021 tot en met december 2021 te middelen, zijn hier geen afspraken over bekend.
7.5.
Daarbij heeft het college getracht maatwerk te leveren door bij de intrekking van het recht op bijstand na te gaan of eiser vanaf 1 september 2021 opnieuw in aanmerking zou kunnen komen voor een bijstandsuitkering. In dit kader heeft het college overwogen dat het vermogen van eiser op 1 september 2021 (ver) boven de vermogensgrens uitkwam, waardoor er geen recht op bijstand bestond.
Spaargeld opgebouwd tijdens bijstandsverlening
8. Eiser voert aan dat spaargeld dat hij heeft opgebouwd in de periode dat hij een bijstandsuitkering ontving niet mag worden aangemerkt als vermogen. Bij het vaststellen van de bezittingen moet het vermogen gecorrigeerd worden met het bedrag dat aantoonbaar uit de bijstand is gespaard. Dit valt te controleren aan de hand van de bankafschriften.
8.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. Het bepaalde in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de Pw is namelijk niet van toepassing op tijdens een eerdere bijstandsperiode opgebouwde spaargelden, maar uitsluitend op spaargelden die tijdens een nog lopende bijstandsperiode worden opgebouwd. [3] Omdat de bijstandsuitkering van eiser is ingetrokken per 1 juli 2021 is er geen sprake van een lopende bijstandsperiode. Dit betekent dat het college bij de beoordeling van de vraag of eiser vanaf 1 september 2021 in aanmerking zou komen voor een bijstandsuitkering heeft kunnen concluderen dat het vermogen van eiser van € 13.964,09 boven het vrij te laten vermogen uitkwam, en dat er daarom geen recht op bijstand bestond.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft. Het college heeft namelijk het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 onjuist vastgesteld. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover dit ziet op de terugvordering over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021. Dat betekent dat de intrekking over de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 augustus 2021 in stand blijft. Omdat aan het besluit van 13 juli 2022 hetzelfde gebrek kleeft als aan de beslissing op bezwaar, zal de rechtbank dat besluit wat betreft de terugvordering over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 herroepen. Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht neemt de rechtbank zelf een beslissing en bepaalt dat de terugvordering over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 wordt vastgesteld op € 907,99.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Ook veroordeelt de rechtbank het college in de proceskosten die eiser in beroep heeft moeten maken. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (voor het indienen van een beroepschrift 1 punt en voor het verschijnen op zitting 1 punt, bij een zaak van gemiddeld gewicht en een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin € 1.075,44 is teruggevorderd van eiser over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 en bepaalt dat het bestreden besluit voor zover het ziet op de intrekking vanaf 1 juli 2021 in stand blijft;
  • herroept primair besluit 2, voor zover daarin € 1.075,44 is teruggevorderd van eiser over de periode van 1 juni 2021 tot en met 30 juni 2021 en bepaalt dat het besluit over de intrekking vanaf 1 juli 2021 in stand blijft;
  • bepaalt dat het terugvorderingsbedrag ten aanzien van juni 2021 wordt vastgesteld op € 907,99 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:156.
2.Zie de uitspraak van de CRvB van 19 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:937.
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2655.