ECLI:NL:CRVB:2021:937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens inkomsten boven norm en terugvordering kosten
Appellante ontving sinds 2014 bijstand op grond van de Participatiewet en had vanaf november 2016 wisselende inkomsten uit arbeid. Het college trok de bijstand per 1 april 2017 in omdat appellante over april en mei 2017 inkomsten boven de bijstandsnorm had en in juni nog werkzaam was. Tevens werd een bedrag van €945,36 teruggevorderd wegens gemaakte kosten.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de gedragsregel van het college om bijstand na twee maanden met inkomsten boven de norm te beëindigen niet redelijk was vanwege de wisselende aard van haar inkomsten. Ook stelde zij dat het college op grond van beleidsregels had moeten afzien van terugvordering van een deel van de kosten.
De Raad oordeelde dat het recht op bijstand per maand wordt beoordeeld en dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken na twee maanden met inkomsten boven de norm, mits betrokkene in de derde maand nog werkzaam is. Deze gedragsregel is niet in strijd met de Participatiewet en is een redelijke uitoefening van de intrekkingsbevoegdheid. De terugvordering was terecht omdat het totaalbedrag hoger was dan de drempel voor kwijtschelding volgens de beleidsregels. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de terugvordering van kosten worden bevestigd; het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.