ECLI:NL:RBDHA:2026:9227

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
NL26.4838
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • O. El Kadi
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vw 2000Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 14 EurodacverordeningArt. 18 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

De zaak betreft het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

Eiser stelde dat het besluit onzorgvuldig was omdat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren meegewogen en dat hij onder dwang vingerafdrukken moest afstaan in Kroatië, waardoor hij feitelijk gedwongen was daar asiel aan te vragen. Tevens voerde hij aan dat hij in Kroatië geen toegang had tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen, waardoor overdracht aan Kroatië zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro Handvest.

De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk een individuele beoordeling had gemaakt en dat de Kroatische autoriteiten op grond van de Eurodacverordening verplicht waren vingerafdrukken af te nemen. Er was geen sprake van onzorgvuldigheid of onrechtmatigheid. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden toegepast omdat Kroatië zijn verdragsverplichtingen nakomt en er geen sprake was van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of opvang.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak is gedaan door rechter O. El Kadi en griffier J. de Lange.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.4838

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P.R. van de Water),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eisers asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is. Eiser is het hier niet mee eens en heeft hiertegen een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister om de aanvraag niet in behandeling te nemen in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgaan. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
2.1.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen en zijn eiser en diens gemachtigde met vooraankondiging niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser van 11 november 2025 bij besluit van 28 januari 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag. De Kroatische autoriteiten hebben op 30 december 2025 het verzoek van Nederland om eiser terug te nemen geaccepteerd. [1] De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Is er sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit?
4. Eiser betoogt dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat geen kenbare individuele beoordeling heeft plaatsgevonden van zijn persoonlijke verklaringen en ervaringen in Kroatië. Volgens eiser is het besluit grotendeels gebaseerd op algemene verwijzingen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zonder dat zijn specifieke situatie daarbij voldoende is betrokken. Tot slot betoogt eiser dat de grondslag van de overdracht aan Kroatië onjuist is. Hij heeft onder dwang vingerafdrukken moeten afstaan en is daardoor feitelijk gedwongen in Kroatië asiel aan te vragen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiser betoogt, de minister in het bestreden besluit wel degelijk een kenbare en individuele beoordeling heeft gemaakt van eisers persoonlijke verklaringen en ervaringen. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij in Kroatië onder dwang zijn vingerafdrukken heeft moeten afstaan en daardoor feitelijk werd gedwongen een asielaanvraag in te dienen, volgt hieruit niet dat de Kroatische autoriteiten onrechtmatig hebben gehandeld. Daarbij is van belang dat Kroatië op grond van artikel 14 van Pro de Eurodacverordening verplicht was de vingerafdrukken van eiser af te nemen, nu hij via dat land het Dublingebied is binnengekomen. Niet in geschil is dat de vingerafdrukken van eiser in Kroatië zijn afgenomen en in het Eurodac-systeem zijn geregistreerd. Uit deze registratie volgt dat eiser in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een terugnameverzoek in de zin van de Dublinverordening. [2] Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid of dat de minister ten onrechte is uitgegaan van de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de behandeling van eisers asielverzoek. De rechtbank concludeert daarom dat het bestreden besluit zorgvuldig tot stand is gekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister ten aanzien van Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister, gelet op zijn individuele omstandigheden, ten aanzien van Kroatië niet mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser voert daartoe aan dat hij onder dwang zijn vingerafdrukken heeft moeten afstaan en daardoor feitelijk werd gedwongen om een asielaanvraag in Kroatië in te dienen. Daarnaast voert eiser aan dat hij in Kroatië geen toegang heeft gehad tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Gelet op deze omstandigheden had de minister moeten beoordelen of overdracht aan Kroatië in zijn individuele geval, vanwege een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling strijd oplevert met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest.
5.1.
Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat, waardoor de verzoeker een reëel risico loopt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister dient bij zijn beoordeling alle door de verzoeker aangevoerde informatie te betrekken, en ook uit eigen beweging rekening te houden met relevante en objectieve informatie waarover hij kennis heeft. [3] Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest te leiden. [4] Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. [5]
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister er terecht op heeft gewezen dat als algemeen uitgangspunt geldt dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen nakomt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 9 oktober 2024 geoordeeld dat de minister voor Kroatië nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [6] Dit oordeel heeft de Afdeling op 6 maart 2025 en 21 november 2025 nog eens bevestigd. [7] De door eiser aangevoerde omstandigheden, te weten dat hij onder dwang zijn vingerafdrukken heeft moeten afstaan, feitelijk werd gedwongen een asielaanvraag in te dienen en geen daadwerkelijke toegang heeft gehad tot opvang en bescherming, vormen geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat reeds onder 4.1. is geoordeeld dat de Kroatische autoriteiten gehouden waren vingerafdrukken van eiser af te nemen op grond van de toepasselijke regelgeving, nu eiser via Kroatië het Dublingebied is binnengekomen. De door eiser aangevoerde omstandigheden leiden ook niet tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangvoorzieningen in Kroatië. Daarbij komt dat eiser zijn stelling dat hij geen toegang heeft gehad tot opvangvoorzieningen op geen enkele wijze heeft onderbouwd. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat overdracht aan Kroatië zal leiden tot een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest. In dit verband heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn van toepassing zijn op de asielprocedure in Kroatië, en dat eiser zich in het geval van voordoende problemen kan wenden tot de Kroatische autoriteiten. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat. De rechtbank concludeert dan ook dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. El Kadi, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, en artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
2.Op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
3.Dit toetsingskader volgt uit HvJEU 29 februari 2024, arrest X, ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
4.EHRM 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, punt 263, en HvJEU 19 maart 2019, Jawo, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93.
5.HvJEU van 21 december 2011, N. S. e.a., ECLI:C:2011:865, punt 82.
6.ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
7.ABRvS 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:919 en ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.