AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Intrekking verblijfsvergunning wegens gevaar voor openbare orde niet in strijd met EVRM
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling die sinds 1981 in Nederland verblijft en sinds 1993 een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd had, kreeg deze vergunning ingetrokken door de minister vanwege meerdere veroordelingen voor onder meer diefstal en drugshandel, waardoor hij een gevaar voor de openbare orde zou vormen.
De rechtbank had eerder het bezwaarbesluit van december 2020 vernietigd wegens onvoldoende motivering over het familie- en gezinsleven, waarna de minister in maart 2025 opnieuw de intrekking handhaafde. De rechtbank oordeelt dat de minister de intrekking deugdelijk heeft gemotiveerd, onder meer door het ontbreken van bewijs dat eiser geen crimineel gedrag meer vertoont en het bestaan van risicofactoren zoals een drugsverslaving.
De rechtbank stelt vast dat er geen sprake is van een familie- of gezinsleven met eisers meerderjarige kinderen, en dat het privéleven van eiser in Nederland bestaat maar dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De minister heeft volgens de rechtbank terecht de criteria van het EHRM toegepast en voldoende onderbouwd dat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het verblijfsrecht van eiser.
De intrekking van de verblijfsvergunning en het opgelegde inreisverbod zijn niet in strijd met artikel 8 EVRMPro of het evenredigheidsbeginsel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wegens gevaar voor de openbare orde wordt ongegrond verklaard.
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], eiser,
[V-nummer],
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigden: mr. M.M.C.M. Verhoeven en mr. W.J. Poot).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en het opgelegde inreisverbod.
1.1.
De minister heeft met het besluit van 27 februari 2020 eisers reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd ingetrokken. De minister heeft daarbij ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. Met het besluit op bezwaar van 14 december 2020 heeft de minister de intrekking van de verblijfsvergunning gehandhaafd.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep dat eiser tegen het besluit van 15 mei 2024 heeft ingesteld gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. [2] Met het besluit van 24 maart 2025 heeft de minister opnieuw beslist op het bezwaar van eiser en heeft de minister opnieuw de intrekking van de verblijfsvergunning gehandhaafd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van de minister deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1974 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij stelt sinds 1981 in Nederland te verblijven. De minister gaat er vanuit dat eiser sindsdien rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Vanaf 16 september 1993 heeft eiser rechtmatig in Nederland verbleven op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De minister heeft die verblijfsvergunning ingetrokken, omdat eiser meerdere misdrijven heeft gepleegd, zoals diefstal en handelen in drugs. Volgens de minister vormt eiser daarom een gevaar voor de openbare orde. De minister heeft de verblijfsvergunning ingetrokken aan de hand van de zogenoemde ‘glijdende schaal’. Omdat eiser in totaal is veroordeeld tot in ieder geval 98 maanden gevangenisstraf, kan zijn verblijfsvergunning volgens de minister worden ingetrokken, ondanks de lange tijd dat hij hier al rechtmatig verbleef. Volgens de minister vormen de gedragingen van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Het besluit is volgens de minister niet in strijd met eisers recht om zijn familie- en gezinsleven of privéleven [3] in Nederland uit te oefenen. Daarnaast heeft de minister bepaald dat eiser Nederland en de Europese Unie direct moet verlaten en dat tegen hem een inreisverbod voor de duur van tien jaar wordt uitgevaardigd.
Uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2024
3. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het besluit op bezwaar van 14 december 2020 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft – kort samengevat – geoordeeld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De minister heeft daarom het verblijfsrecht van eiser mogen beëindigen. De rechtbank heeft in het kader van de beoordeling van eisers familie- of gezinsleven geoordeeld dat de minister ten onrechte ervan heeft afgezien om eiser daarover te horen in de bezwaarfase.
Besluit op bezwaar van 24 maart 2025
4. De minister heeft met het besluit van 24 maart 2025 opnieuw op het bezwaar van eiser beslist. Kort samengevat heeft de minister de intrekking van eisers verblijfsvergunning gehandhaafd. Omdat geruime tijd is verstreken na het primaire besluit van 27 februari 2020, heeft de minister verschillende onderdelen van de besluitvorming opnieuw onderbouwd. De minister handhaaft zijn standpunt dat de persoonlijke gedragingen van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verder handhaaft de minister zijn standpunt dat de intrekking niet in strijd is met het familie- of gezinsleven of privéleven van eiser. Daarbij heeft de minister de twee periodes sinds 2 oktober 2020 betrokken, waarvan bekend is waar eiser verbleef.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Zoals de rechtbank in de vorige uitspraak heeft uitgelegd, kan de minister een verblijfsvergunning intrekken als de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde is. Eiser betwist niet dat de minister de relevante normen – de zogenoemde glijdende schaal – juist heeft toegepast. Wel heeft eiser ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning op grond van het openbare ordecriterium (opnieuw) aangevoerd dat er geen zogenoemde ‘very serious reasons’ zijn om zijn verblijfsrecht als een ‘settled migrant’ te beëindigen. Ook heeft hij aangevoerd dat hij geen actuele bedreiging vormt en dat hij geen misdrijven heeft gepleegd die een fundamenteel belang van de samenleving schenden.
6. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 15 mei 2024 al geoordeeld dat de minister in het eerste besluit op bezwaar voldoende heeft gemotiveerd dat eiser door zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister heeft kunnen overwegen dat in het geval van eiser sprake is van ‘very serious reasons’ om het verblijfsrecht van eiser te beëindigen. In het vervolg van de procedure moet worden uitgegaan van de juistheid van de in de eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordelen wanneer daartegen geen rechtsmiddel is aangewend, zoals in deze zaak het geval is. [4]
6.1.
De minister heeft zich in het besluit van 24 maart 2025 dat nu ter beoordeling bij de rechtbank voorligt op het standpunt gesteld dat eiser nog steeds een gevaar voor de openbare orde vormt, omdat eiser nog steeds een werkelijke en actuele bedreiging vormt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dit standpunt deugdelijk gemotiveerd. Volgens de minister zijn van twee periodes bekend dat eiser in Nederland heeft verbleven, de periode vanaf 1 augustus 2023 tot en met 30 september 2023 en de periode van enkele weken voor 21 oktober 2024 tot de datum van het besluit, 24 maart 2025. De minister kan worden gevolgd in zijn standpunt dat deze periodes te kort zijn om te concluderen dat eiser bestendig geen crimineel gedrag meer heeft vertoond. Eiser heeft daarnaast geen stukken overgelegd waaruit blijkt waar hij was in de overige periodes dat hij (mogelijk) niet in Nederland verbleef én dat hij toen ook geen crimineel gedrag heeft vertoond. Daarbij heeft de minister van belang mogen vinden dat er een aantal risicofactoren bestaat: namelijk een verslaving en dat eiser in het verleden veel misdrijven heeft gepleegd. De minister heeft erop mogen wijzen dat eiser in het verleden vaker voor een langere periode geen misdrijven heeft gepleegd, waarna hij vervolgens toch weer misdrijven pleegde. De minister heeft eiser ook mogen tegenwerpen dat hij niet heeft onderbouwd dat er geen sprake meer is van een drugsverslaving. Voor zover eiser aanvoert dat hij dit wel heeft onderbouwd, kan hij daarin niet worden gevolgd. Het uiterlijk van eiser tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase kan niet als onderbouwing hiertoe gelden. Hetzelfde geldt voor de Justitiële Documentatie, waaruit blijkt dat eiser ‘al jaren’ geen (druggerelateerde) strafbare feiten heeft gepleegd. Dit geeft geen volledig beeld, omdat, voor zover bekend, eiser slechts twee korte periodes in Nederland heeft verbleven en voor het overige onbekend is waar hij (mogelijk) buiten Nederland heeft verbleven en of hij mogelijk strafbare feiten heeft gepleegd buiten Nederland. Voor zover eiser subsidiair aanvoert dat het onmogelijk is om aan te tonen dat hij geen drugs meer gebruikt, wordt hij hierin niet gevolgd. Eiser zou dit bijvoorbeeld met drugstesten aannemelijk kunnen maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat niet is gebleken dat eiser inmiddels geen gevaar meer voor de openbare orde vormt.
7. Partijen verschillen van mening of het intrekken van de verblijfsvergunning in strijd is met het familie- of gezinsleven of privéleven van eiser zoals bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM [5] . De rechtbank wijst er voor de volledigheid op dat zij in de uitspraak van 15 mei 2024 hierover geen inhoudelijk oordeel heeft gegeven. De rechtbank heeft de minister opgedragen eiser te horen over de 8 EVRM-aspecten in deze zaak. Niet in geschil is dat de minister aan deze opdracht heeft voldaan.
8. De minister heeft geconcludeerd dat er tussen eiser en zijn drie meerderjarige kinderen geen familie- of gezinsleven is, omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Subsidiair heeft de minister een belangenafweging gemaakt ten aanzien van het mogelijke familieleven. Deze belangenafweging valt volgens de minister in het nadeel van eiser uit. Daarnaast heeft de minister geconcludeerd dat eiser weliswaar privéleven in Nederland heeft opgebouwd, maar dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt.
9. Eiser stelt voorop dat er geen ‘very serious reasons’ zijn om zijn verblijfsvergunning in te trekken. Hij heeft geen bijzonder ernstige misdrijven gepleegd en hem zijn geen bijzonder zware straffen opgelegd.
9.1.
Eiser voert verder over het familie- en gezinsleven aan dat de minister bij de nieuwe beslissing op bezwaar ten onrechte ex-nunc heeft beoordeeld of er gezinsleven is tussen eiser en zijn kinderen. Als gevolg van de besluitvorming van de minister heeft eiser Nederland moeten verlaten waardoor de gezinsband noodzakelijkerwijs is verbroken. Daarbij is het tijdsverloop van de procedures ook van belang. Volgens eiser moet het toetsmoment daarom de vernietigde beslissing op bezwaar zijn. De belangenafweging zou dan anders uitvallen. Daarnaast voert eiser aan dat hij intensief contact heeft met zijn dochter [naam 1]. Eiser voert verder in dit kader aan dat hij wel heeft onderbouwd dat hij geen drugs meer gebruikt en dat de minister niet heeft gemotiveerd dat eiser een sociaal netwerk heeft in Turkije.
9.2.
Eiser voert over het privéleven aan dat hij de veroordelingen niet bagatelliseert, maar dat de minister overdrijft door te doen alsof het allemaal ernstige misdrijven zijn. Eiser is niet bijzonder zwaar gestraft. Verder onderbouwt de minister onvoldoende dat eiser sterke banden heeft met Turkije. Eiser heeft juist veel sterkere banden met Nederland.
Familie- en gezinsleven
10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen familie- of gezinsleven is tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen. De minister heeft terecht het familie- en gezinsleven ex-nunc beoordeeld. Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht moet de minister in de bezwaarfase een volledige heroverweging maken bij het nemen van een besluit op bezwaar. Dit betekent dat de minister ook feiten en omstandigheden moet meenemen die zich na het besluit van 27 februari 2020 en tijdens de bezwaarfase hebben voorgedaan. [6] De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij geen familie- of gezinsleven heeft met zijn kinderen [naam 2] en [naam 3]. Wel stelt eiser dat hij intensief contact heeft met zijn dochter [naam 1]. De rechtbank vat deze stelling zo op dat eiser aanvoert wel familie- of gezinsleven met [naam 1] te hebben. De minister heeft in zijn beoordeling betrokken dat eiser en [naam 1] weliswaar een sterke emotionele band hebben, maar niet samenwonen, dat [naam 1] naar dagbesteding gaat en dat andere familieleden voor [naam 1] hebben gezorgd in de periodes toen eiser niet in Nederland verbleef. Wel deed eiser bepaalde taken met betrekking tot de verzorging van [naam 1], omdat hij goed Nederlands spreekt. De enkele stelling dat eiser en [naam 1] intensief contact hebben is onvoldoende om aannemelijk te maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er geen familie- of gezinsleven is met [naam 1].
Privéleven
11. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser privéleven heeft in Nederland. De minister heeft daarom een belangenafweging gemaakt die volgens de minister in het nadeel van eiser is uitgevallen. De rechtbank moet beoordelen of die belangenafweging stand kan houden. De rechtbank moet eerst beoordelen of de minister alle belangen heeft meegenomen en daarbij is uitgegaan van de juiste feiten. Bij een belangenafweging waarin de openbare orde een rol speelt, moet de minister criteria betrekken die in de arresten Boultif t. Zwitserland en Üner t. Nederland van het EHRM [7] staan. Zoals de aard en de ernst van het gepleegde misdrijf, de gedragingen van de betrokken vreemdeling gedurende die tijd en de hechtheid van de sociale, culturele en familiebanden van de betrokken vreemdeling met het gastland en het land van herkomst. De minister moet in de belangenafweging inzichtelijk maken welk gewicht de verschillende belangen hebben, voordat hij die belangen tegen elkaar afweegt. Uit de rechtspraak van het EHRM [8] volgt verder dat ‘very serious reasons’ zijn vereist om iemand uit het land te zetten waar hij het grootste deel van zijn kindertijd en jeugd heeft doorgebracht.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De minister heeft getoetst aan de criteria die staan in de arresten Boultif en Üner. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser een gevaar voor de openbare orde vormt en dat er ‘serious reasons’ voor de minister waren om de verblijfsvergunning van eiser in te trekken. De rechtbank verwijst naar wat zij heeft overwogen onder 6. en 6.1. Dat eiser geen bijzonder ernstig misdrijf heeft gepleegd en hem geen bijzonder zware straffen zou zijn opgelegd, doet daaraan niet af. Eiser is veel en vaak veroordeeld voor onder andere drugs- en geweldsmisdrijven. Verder is de minister ingegaan op de duur van eisers verblijf in Nederland, de banden die hij heeft met Nederland en Turkije, zijn familiesituatie, het belang en welzijn van zijn kinderen en hun nationaliteiten. Wat betreft de stelling van eiser dat hij wel heeft onderbouwd dat hij geen drugs meer gebruikt, verwijst de rechtbank naar wat zij onder 6.1 hierover heeft overwogen. Verder heeft de minister ervan uit mogen gaan dat eiser in Turkije een sociaal netwerk heeft, omdat eiser in het verleden vaak op vakantie ging naar Turkije, op bezoek ging en verbleef bij familie in Turkije en sinds 2 oktober 2020 lange periodes bij familie heeft verbleven. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij zijn sociale netwerk is kwijtgeraakt door de aardbevingen in Turkije. De minister heeft uitgelegd waarom het belang van bescherming van de openbare orde zwaarder weegt dan eisers belangen, ondanks zijn lange verblijf in Nederland. Eisers stelling dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning contraproductief is omdat het hem niet is gelukt om in Turkije te leven, kan niet slagen. Eiser heeft niet toegelicht waaruit blijkt dat hij zich niet kan handhaven in Turkije.De minister heeft verder mogen vinden dat het belang van de Nederlandse overheid tot bescherming van de openbare orde zwaar weegt. Daarom heeft de minister in het nadeel van eiser mogen meewegen dat eiser vaak is veroordeeld voor het plegen van misdrijven. Anders dan eiser stelt, blijkt uit het bestreden besluit niet dat de minister doet voorkomen dat eiser enkel voor ernstige misdrijven is veroordeeld. In het besluit staat dat eiser veel enernstige misdrijven heeft gepleegd. Verder heeft de minister mogen betrekken dat eiser sterke banden heeft met Turkije. Eiser spreekt de taal, heeft een sociaal vangnet in Turkije en is één keer per jaar of per twee jaar naar Turkije afgereisd voor familiebezoek en vakantie. De minister heeft ook mogen vinden dat niet is gebleken dat eiser meer banden heeft met Nederland dan gebruikelijk na zijn langdurige verblijf in Nederland.
Conclusie
13. De rechtbank concludeert dat het intrekken van eisers verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM.
Evenredigheid
14. Eiser voert aan dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning onevenredig is.
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de intrekking van eisers verblijfsvergunning evenredig mogen vinden. Het doel van de intrekking is de openbare orde te beschermen en de minister heeft erop mogen wijzen dat eiser voor veel misdrijven zoals ernstige geweldsmisdrijven en opiumdelicten is veroordeeld. Ook nadat de minister in 2016 duidelijk heeft gemaakt dat hij voornemens was om eisers verblijfsvergunning in te trekken, heeft eiser misdrijven gepleegd. Het voornemen heeft eiser niet weerhouden van het plegen van strafbare feiten en de minister verwacht daarom dat eiser door zal gaan met het plegen van (ernstige) misdrijven. Hieruit blijkt volgens de minister afdoende dat er geen andere middelen of maatregelen zijn die de samenleving net zo goed kan beschermen. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat zijn belang om de openbare orde te beschermen zwaarder weegt dan eisers belang om rechtmatig in Nederland te mogen verblijven.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
16. Voor zover van belang is de rechtbank van oordeel dat de minister een terugkeerbesluit heeft mogen uitvaardigen. De minister heeft terecht gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij bij terugkeer naar Turkije gevaar loopt, bijvoorbeeld vanwege mogelijke (gestelde) wraakacties van de familie van eisers schoonzus.
17. De rechtbank heeft eerder in deze uitspraak overwogen dat bij de intrekking van de verblijfsvergunning is voldaan aan het Unierechtelijk openbaar ordecriterium en geoordeeld dat de intrekking niet in strijd is met artikel 8 vanPro het EVRM of het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in het kader van het inreisverbod anders over te oordelen.
Conclusie en gevolgen
18. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Er is geen reden om de minister te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzitter, en mr. C.I.H. Kerstens-Fockens en mr. S.J.L. Crombach, leden, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op”
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Deze zaak is ook bekend onder het zaaknummer NL25.14199.