ECLI:NL:RVS:2026:111

Raad van State

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
8 januari 2026
Zaaknummer
202501649/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een appellant met de Turkse nationaliteit tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 februari 2025. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had op 14 april 2022 de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, omdat de relatie met zijn partner was geëindigd. De rechtbank oordeelde op 25 januari 2024 dat de minister onzorgvuldig had gehandeld door te stellen dat appellant geen recht had op voortgezet verblijf, omdat hij niet minimaal één jaar legale arbeid had verricht. De rechtbank vernietigde het besluit van de staatssecretaris en bepaalde dat deze een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van haar uitspraak. De staatssecretaris volhardde echter in zijn standpunt en verklaarde het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant ging in hoger beroep, waarbij hij aanvoerde dat de rechtbank ten onrechte het eerdere oordeel over zijn recht op verblijf negeerde. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank en de minister het eerdere oordeel niet hadden mogen negeren, en verklaarde het hoger beroep gegrond. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, en de staatssecretaris werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarbij hij moest uitgaan van het feit dat appellant recht had op verlenging van zijn verblijfsvergunning op basis van zijn legale arbeid.

Uitspraak

202501649/1/V1.
Datum uitspraak: 8 januari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 februari 2025 in zaak nr. NL24.28860 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 14 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, ingetrokken.
Bij besluit van 7 juli 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 januari 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 14 april 2022 door appellant gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat in Amstelveen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Inleiding
1.       Appellant heeft de Turkse nationaliteit. De minister heeft bij het besluit van 14 april 2022, gehandhaafd bij het besluit van 7 juli 2023, de hem per 1 september 2019 verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’, ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 21 mei 2021, omdat de relatie tussen hem en zijn partner is geëindigd. Appellant heeft volgens de minister ook geen recht op voortgezet verblijf op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80, omdat hij niet ten minste één jaar legale arbeid heeft verricht.
1.1.    De rechtbank heeft in haar uitspraak van 25 januari 2024 op het beroep tegen het besluit van 7 juli 2023 geoordeeld dat de minister haar standpunt dat appellant geen recht heeft op voortgezet verblijf op grond van artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80, onzorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Appellant moet volgens de rechtbank geacht worden gedurende een jaar legale arbeid te hebben verricht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80 en hij heeft volgens deze bepaling recht op verlenging van zijn recht op verblijf en arbeid bij dezelfde werkgever.
1.2.    De minister heeft zich in het nieuwe besluit op bezwaar van 20 juni 2024 naar aanleiding van deze uitspraak opnieuw op het standpunt gesteld dat appellant geen legale arbeid heeft verricht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80 en dat hij daarom geen rechten kan ontlenen aan deze bepaling. De rechtbank heeft het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Hoger beroep
2.       Appellant klaagt in zijn enige grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen rechten kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80, omdat hij niet minimaal één jaar legale arbeid in Nederland heeft verricht.
2.1.    De Afdeling stelt ambtshalve vast dat de rechtbank met het onder 2 weergegeven oordeel buiten de omvang van het geschil is getreden. De Afdeling licht dit oordeel hieronder toe.
2.2.    In de uitspraak van 25 januari 2024 heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat appellant geacht moet worden gedurende een jaar legale arbeid te hebben verricht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80. Tegen deze uitspraak hebben de minister en appellant geen hoger beroep ingesteld. De minister heeft zich vervolgens in het ter uitvoering van de uitspraak van 25 januari 2024 genomen besluit op bezwaar van 20 juni 2024 opnieuw op het standpunt gesteld dat appellant geen rechten kan ontlenen aan artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80, omdat hij niet minimaal één jaar legale arbeid in Nederland heeft verricht. Dat standpunt van de minister strookt niet met het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 25 januari 2024, als gevolg waarvan het besluit van 20 juni 2024 is genomen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801, onder 2.3, en 17 mei 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AX2074, onder 2.3.1, moet in het vervolg van de procedure worden uitgegaan van de juistheid van de in de eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven rechtsoordelen wanneer daartegen geen rechtsmiddel is aangewend. Aan dit oordeel ligt ten grondslag dat het voor de tweede keer beoordelen van door de rechtbank eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgronden het gezag miskent van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend.
Dat geldt ook indien een bestuursorgaan geen hoger beroep instelt tegen een uitspraak van de rechtbank waarin zij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven over wat het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Ook in dat geval vergt het gezag van de rechterlijke uitspraak waartegen geen rechtsmiddel is aangewend dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging ten grondslag gelegde overwegingen. Zie de eerdergenoemde uitspraak van 17 mei 2006, onder 2.3.1.
2.3.    De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 februari 2025 niet onderkend dat de minister ten onrechte is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven oordeel in de uitspraak van 25 januari 2024 dat appellant een jaar legale arbeid heeft verricht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80 en hij volgens deze bepaling recht heeft op verlenging van zijn recht op verblijf en arbeid bij dezelfde werkgever. De grief slaagt in zoverre.
2.4.    Wat appellant verder aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Conclusie
3.       Het hoger beroep is gegrond. Omdat rechtbank en minister voorbij zijn gegaan aan een uitdrukkelijk en zonder voorbehoud eerder gegeven oordeel van de rechtbank vernietigt de Afdeling de uitspraak van de rechtbank van 21 februari 2025 en is het beroep gegrond. De Afdeling vernietigt daarom ook het besluit van 20 juni 2024. De minister moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat de minister bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ervan moet uitgaan dat appellant één jaar legale arbeid heeft verricht als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1/80 en hij volgens deze bepaling recht heeft op verlenging van zijn recht op verblijf en arbeid bij dezelfde werkgever. De minister moet de in verband met het beroep en het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 februari 2025 in zaak nr. NL24.28860;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     vernietigt het besluit van 20 juni 2024, V-[...];
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.     gelast dat de minister van Asiel en Migratie aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van € 476,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
voorzitter
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2026
91-1162