Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9094

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
23/614
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 ParticipatiewetArt. 16 ParticipatiewetZorgverzekeringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor medicinale cannabis wegens ontbreken acute noodsituatie

Eiseres, met een bijstandsuitkering en de diagnose idiopathische intracraniële hypertensie, verzocht het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om bijzondere bijstand voor de kosten van medicinale cannabis. Deze aanvraag werd afgewezen omdat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening geldt en bijzondere bijstand alleen kan worden toegekend bij zeer dringende redenen.

De rechtbank benoemde een onafhankelijke neuroloog als deskundige die concludeerde dat het gebruik van medicinale cannabis vanuit medisch oogpunt niet wenselijk, noodzakelijk of onvermijdelijk is en dat het niet gebruiken ervan geen gezondheidsgevolgen heeft. De rechtbank achtte het deskundigenrapport zorgvuldig en overtuigend.

Op basis hiervan oordeelde de rechtbank dat geen sprake is van een acute noodsituatie zoals vereist in artikel 16 van Pro de Participatiewet. Het beroep van eiseres werd daarom ongegrond verklaard, zij krijgt geen bijzondere bijstand en ook geen vergoeding van proceskosten.

De uitspraak werd gedaan door rechter L.C. Bannink en griffier H.J. Verspuij-Fung op 17 april 2026. Eiseres kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van bijzondere bijstand voor medicinale cannabis wordt bevestigd wegens het ontbreken van een acute noodsituatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/614

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Dezfouli),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. J.M.N. Packbier).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van medicinale cannabis. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft een neuroloog als onafhankelijk deskundige benoemd en heeft met verwijzing naar diens advies geoordeeld dat er geen zeer dringende redenen zijn om eiseres de bijzondere bijstand te verlenen. Het college heeft de aanvraag terecht afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor haar medicatiekosten (medicinale cannabis). Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 29 juni 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 december 2022 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.
2.3.
De rechtbank heeft na bespreking van de zaak het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiseres in de gelegenheid te stellen om een verklaring van haar/een arts te verkrijgen waarin staat wat de mogelijk ernstige gevolgen kunnen zijn voor haar gezondheid bij geen gebruik van medicinale cannabis (THC Olie/Bedrocan).
2.4.
Eiseres heeft vervolgens een medische verklaring overgelegd van de anesthesioloog-pijnspecialist gedateerd 19 juli 2024.
2.5.
Het college heeft op 27 juli 2024 gereageerd en aangegeven dat de medische verklaring onvoldoende aannemelijk maakt dat sprake is van dringende redenen. Het college wenst graag te vernemen op welke mogelijke wijze de kwaliteit van leven minder zou zijn en wat de mogelijke gevolgen zijn bij het niet gebruiken van de medicinale cannabis.
2.6.
Eiseres heeft op 9 december 2024 gereageerd en aangegeven dat zij geen andere onderbouwende documentatie heeft kunnen verkrijgen.
2.7.
Het college heeft op 11 februari 2025 gereageerd en aangegeven dat de afwijzing van de bijzondere bijstand gehandhaafd blijft.
2.8.
Nadat geen van partijen te kennen heeft gegeven een nadere zitting te willen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens weer heropend en neuroloog dr. E.M.H. van den Doel (hierna: de deskundige) als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek naar de gezondheidssituatie van eiseres in de te beoordelen periode, 9 maart 2022 tot 29 juni 2022 en het gebruik van medicinale cannabis.
2.9.
De deskundige heeft de onderzoeksresultaten neergelegd in een rapport van 5 februari 2026 (deskundigenrapport). Het college heeft op 5 maart 2026 gereageerd op het deskundigenrapport. Eiseres heeft niet gereageerd op het deskundigenrapport.
2.1
Partijen hebben desgevraagd door de rechtbank niet aangegeven gebruik te willen maken van het recht om opnieuw gehoord te worden ter zitting. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering. In 2015/2016 is bij eiseres de diagnose idiopathische intracraniële hypertensie (IIH) gesteld. Voor de klachten, onder andere verhoogde druk op haar ogen en hersenen, kreeg zij medicinale cannabis (CBD.THC Olie) voorgeschreven door een arts. De kosten bedragen maandelijks ongeveer € 350,-. De kosten worden niet vergoed vanuit de zorgverzekering. In eerste instantie heeft eiseres de kosten zelf betaald. In maart 2022 heeft eiseres zich tot het college gewend voor het aanvragen van bijzondere bijstand voor de medicinale cannabis omdat zij deze kosten niet meer zelf kan betalen.
4. Niet in geschil is dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) als een voorliggende voorziening moet worden beschouwd en dat dus artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de Pw het college geen mogelijkheid geeft om bijzondere bijstand toe te kennen voor de medicinale cannabis.
5. Tussen partijen is alleen in geschil of de verlening van bijzondere bijstand voor de kosten van medicinale cannabis wegens zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw noodzakelijk is. Daarvoor moet vaststaan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Van een acute noodsituatie is in ieder geval sprake als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn, maar is niet tot die situaties beperkt. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van een acute noodsituatie. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Daarbij is verder van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. De bewijslast dat sprake is van zeer dringende redenen ligt bij eiseres. [1]
De deskundige
6. Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de motivering van dat oordeel hem overtuigend voorkomt. Daarbij is van belang of het rapport blijk geeft van een zorgvuldig onderzoek, alle beschikbare gegevens van de behandelaars van de betrokkene bij de beoordeling zijn betrokken en de conclusies voortvloeien uit de bevindingen en inzichtelijk zijn. [2]
6.1.
De rechtbank heeft de deskundige een aantal vragen voorgelegd over de medische situatie van eiseres en het gebruik van medicinale cannabis, onder meer de vraag of dat gebruik op grond van de medische situatie van eiseres als wenselijk, noodzakelijk of onvermijdelijk moet worden gekwalificeerd. De deskundige heeft in het deskundigenrapport op die vraag geantwoord dat vanuit neurologisch vakgebied er geen reden is voor het gebruik van cannabis. Volgens de deskundige is dit is noch wenselijk, noch noodzakelijk, noch onvermijdelijk. Op de vraag of er gevolgen zijn voor de gezondheid van eiseres bij geen gebruik van medische cannabis heeft de deskundige geantwoord dat er vanuit zijn vakgebied geen reden is om aan te nemen dat er enig gevolg zou zijn.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de deskundige, mede gelet op de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, volledig, helder, consistent en coherent heeft gerapporteerd. Het betreft een duidelijke rapportage waarin een logische samenhang bestaat tussen de vaststelling van de feiten, de beantwoording van de vragen, de gebruikte gegevens en de bereikte conclusies. Daarmee acht de rechtbank de bevindingen en conclusies van de deskundige goed gemotiveerd, juist en bruikbaar. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het college de aanvraag om bijzondere bijstand terecht heeft geweigerd, omdat geen sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 van Pro de Pw.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1065.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:379.