Eiser, een Algerijnse derdelander die rechtmatig in Oekraïne verbleef, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. Verweerder besloot op 7 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 maart 2024, waarna eiser binnen vier weken moest terugkeren naar zijn land van herkomst. Na prejudiciële vragen aan het HvJ EU en daaropvolgende jurisprudentie werd het besluit aangepast en op 29 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen.
Eiser voerde aan dat het eerdere besluit onzorgvuldig was, dat hij ten onrechte niet was gehoord en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden omdat hij mocht verwachten dat zijn bescherming niet eerder zou eindigen dan die van Oekraïners. De rechtbank oordeelde dat de zienswijze van eiser onvoldoende was om het eerdere besluit te vernietigen, dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden omdat geen toezeggingen waren gedaan, en dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om gehoord te worden.
De rechtbank concludeerde dat het terugkeerbesluit voldoet aan de Europese richtlijnen en jurisprudentie, en dat er geen strijd is met het non-refoulementbeginsel. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser wegens gebrekkigheid van het oorspronkelijke besluit.