ECLI:NL:RBDHA:2026:898

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL26.467
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en aanvullend terugkeerbesluit in vreemdelingenrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd. De minister had op 4 januari 2026 zowel een maatregel van bewaring als een aanvullend terugkeerbesluit aan eiser bekendgemaakt. Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld, waarbij het beroep tegen de maatregel van bewaring tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Tijdens de zitting op 13 januari 2026, die via een beeldverbinding plaatsvond, was eiser aanwezig met zijn gemachtigde, terwijl de minister zich liet vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het aanvullend terugkeerbesluit geen rechtsgevolg heeft en daarom niet onder de reikwijdte van de Algemene wet bestuursrecht valt. Dit leidde tot de onbevoegdheid van de rechtbank om het beroep tegen dit besluit te behandelen. De rechtbank heeft zich vervolgens gericht op de maatregel van bewaring. De minister had deze maatregel opgelegd op basis van de vrees dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte de gronden voor de maatregel, maar de rechtbank oordeelde dat de zware gronden die door de minister waren aangevoerd feitelijk juist waren. De rechtbank concludeerde dat er voldoende risico was dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, en dat de minister terecht had besloten tot de maatregel van bewaring.

Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko bestond, maar de rechtbank oordeelde dat er in het algemeen vanuit kan worden gegaan dat er zicht op uitzetting is. Eiser stelde ook dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, maar de rechtbank oordeelde dat de minister geen andere afdoende maatregelen had kunnen toepassen. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank zich onbevoegd ten aanzien van het beroep tegen het terugkeerbesluit en verklaarde het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.467 en NL26.543

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. Y. Mateo Diaz),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Ook heeft de minister op 4 januari 2026 een aanvullend terugkeerbesluit aan eiser bekendgemaakt.
Eiser heeft tegen beide bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Aanvullend terugkeerbesluit met zaaknummer NL26.543
1. Eiser betoogt dat bij het opleggen van het aanvullend terugkeerbesluit onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke belangen en dat een onjuiste belangenafweging is gemaakt. Hij heeft aangegeven dat zijn moeder ziek is en dat hij een tante heeft die in Italië woont. Op deze verklaringen is niet doorgevraagd tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het aanvullend terugkeerbesluit.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat op 3 juli 2025 een terugkeerbesluit aan eiser is opgelegd. Eiser heeft toen een alias gebruikt waardoor andere dan zijn eigen gegevens op dit terugkeerbesluit staan vermeld. Op 4 januari 2026 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit aan eiser opgelegd waarin de juiste gegevens van eiser vermeld zijn. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op de zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aanvullend terugkeerbesluit niet op enig rechtsgevolg is gericht. Het aanvullend terugkeerbesluit bevat enkel gecorrigeerde persoonsgegevens van eiser en roept geen nieuwe terugkeerverplichting in het leven. Het aanvullende terugkeerbesluit is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen op grond van artikel 8:1 Awb beroep kon worden ingesteld. Dit leidt ertoe dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep. [1] De rechtbank laat de aangevoerde beroepsgronden over het aanvullend terugkeerbesluit daarom onbesproken.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft lichte grond 4d op de zitting laten vallen.
2.2.
Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Ten aanzien van zware grond 3a betoogt eiser dat het feit dat hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnen is gekomen, onvoldoende is om het risico op onttrekking aan het toezicht aan te nemen. Ten aanzien van zware grond 3b betoogt eiser dat hij Nederland uit eigen beweging heeft verlaten. Hij is immers naar Spanje gegaan. Hij had niet de intentie op zich aan het toezicht te onttrekken, hij wilde werk vinden in Spanje. Ten aanzien van zware grond 3c betoogt eiser dat hij heeft voldaan aan het terugkeerbesluit dat hem in juli 2025 is opgelegd. Hij is namelijk naar Spanje gegaan waar hij procedureel rechtmatig verblijf had. Ten aanzien van lichte grond 4c betoogt eiser dat hij wel een vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hij huurt namelijk een woonruimte in [plaats]. Ook heeft eiser een verklaring overgelegd van meneer [naam] waarin staat dat eiser bij hem kan verblijven.
2.3.
Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De reden hiervoor is dat de zware gronden 3a en 3c feitelijk juist zijn. Eiser erkent dat hij niet op de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Het risico op onttrekking hoeft bij de zware gronden niet nader gemotiveerd te worden. [2] De minister heeft ook de feitelijke juistheid van zware grond 3c voldoende toegelicht door er op te wijzen dat eiser niet heeft voldaan aan het eerder aan hem uitgereikte terugkeerbesluit. Dat eiser naar Spanje is vertrokken maakt dit niet anders. De terugkeerverplichting zag immers op Marokko.
2.4.
Omdat de zware gronden 3a en 3c feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende als grondslag voor de maatregel van bewaring. [3] De rechtbank beoordeelt daarom de beroepsgronden die zijn aangevoerd tegen de overige aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet. Uit de gronden volgt dat er een risico is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting naar Marokko bestaat. Uit landeninformatie blijkt dat het contact met de Marokkaanse autoriteiten moeizaam verloopt en dat er vertraging bestaat bij het aanvragen van een laissez-passer (lp). Hij vindt dat de minister inzicht moet verschaffen in het aantal lp-aanvragen met betrekking tot Marokko en het aantal keer dat een lp is verstrekt door Marokko.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko. [4] Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dat inmiddels niet meer zo is. Niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Daarom is er op dit moment geen reden om aan te nemen dat voor eiser geen lp wordt verstrekt.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, omdat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat eiser in 2024 een duurzame relatie is aangegaan in Spanje. Ook blijkt hier uit dat hij ingeschreven staat in Spanje en dat hij daar procedureel rechtmatig verblijf heeft. Indien eiser in vrijheid wordt gesteld kan aan hem een meldplicht worden opgelegd en zal hij in de tussentijd proberen om aan een reisdocument te komen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat eiser geen omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat een lichter middel had moeten worden opgelegd. Eiser heeft stukken overgelegd in de Spaanse taal, zonder vertaling. Ook zijn de stukken niet ondertekend. Daarom kan aan de stukken niet de waarde worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Daarnaast heeft eiser in het gehoor van 4 januari 2026 voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring verklaard dat hij geen vriendin in Nederland of ergens anders in Europa heeft. [5] Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het terugkeerbesluit;
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
binnen één weekna de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op de maatregel van bewaring (beroep met zaaknummer NL26.467).
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
binnen vier wekenna de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit (beroep met zaaknummer: NL26.543).

Voetnoten

1.ABRvS 28 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2895.
2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
3.Idem.
4.ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 2 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:438.
5.Proces-verbaal van gehoor d.d. 4 januari 2026, p. 4.
6.Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.