ECLI:NL:RBDHA:2026:893

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL26.912
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Algerijnse vreemdeling en de rechtmatigheid van de opgelegde maatregel

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, enkelvoudige kamer, op 20 januari 2026, wordt de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan de eiser heeft opgelegd, beoordeeld. Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is het niet eens met deze maatregel en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de maatregel van bewaring heeft opgelegd, omdat er geen lichter middel beschikbaar is en er voldoende zicht op uitzetting naar Algerije is. De rechtbank heeft eerder op 31 oktober 2025 de rechtmatigheid van de maatregel getoetst en vastgesteld dat deze toen rechtmatig was. De huidige beoordeling richt zich op de periode sinds het sluiten van dat onderzoek op 28 oktober 2025.

De rechtbank behandelt de beroepsgronden van eiser, waaronder de claim dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege zijn medische klachten. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk is en dat de medische klachten van eiser geen belemmering vormen voor de inbewaringstelling. Eiser heeft zich bovendien verzet tegen zijn uitzetting, wat de noodzaak van de maatregel onderstreept.

Daarnaast stelt eiser dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt, maar de rechtbank concludeert dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, aangezien de minister stappen heeft ondernomen om de uitzetting te realiseren. De rechtbank wijst het beroep van eiser ongegrond en bevestigt de maatregel van bewaring, evenals het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.912

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de maatregel van bewaring aan eiser heeft opgelegd. De minister heeft niet hoeven volstaan met een lichter middel en het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft op 5 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
2.1.
De rechtbank heeft deze maatregel eerder getoetst op 31 oktober 2025. [2]
2.2.
De minister heeft op 7 januari 2026 de rechtbank van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [3] Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op die voortgangsrapportage gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft op 13 januari 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Als de rechtbank vindt dat het toepassen of uitvoeren van de maatregel van bewaring niet klopt volgens de Vw 2000, of dat het, gezien alle belangen, in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, dan verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij dat de maatregel wordt opgeheven of dat de uitvoering ervan wordt aangepast.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 oktober 2025 blijkt dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek waarop die uitspraak is gebaseerd, rechtmatig was. Daarom kijkt de rechtbank bij het beoordelen of de maatregel nog steeds rechtmatig is alleen naar de periode sinds het sluiten van dat onderzoek op 28 oktober 2025.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
4. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, gelet op zijn medische klachten. Hij heeft in het vertrekgesprek van 22 december 2025 aangegeven dat hij langere tijd slecht slaapt en last heeft van medische klachten, waaronder astma, waarvoor hij geen medicatie heeft ontvangen. Deze omstandigheden zijn door de minister niet kenbaar en individueel betrokken bij de beoordeling van het voortduren van de maatregel.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. In de uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister in de maatregel van bewaring duidelijk heeft gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk is en waarom lichtere maatregelen niet effectief zijn. Zowel zware als lichte gronden zijn aangevoerd, waaruit blijkt dat het risico bestaat dat eiser zich aan toezicht en uitzetting zal onttrekken. Deze gronden zijn niet betwist en voldoende onderbouwd. Daarbij komt dat uit het voortgangsrapport (M120) van 5 januari 2026 blijkt dat een poging om eiser uit te zetten op 29 december 2025 is mislukt omdat hij zich verzette tegen de uitzetting. Dit illustreert de noodzaak van de inbewaringstelling van eiser. Ook de medische klachten van eiser, waaronder astma, zijn meegewogen, maar vormen geen belemmering voor de inbewaringstelling vanwege de beschikbare zorg binnen het detentiecentrum. De rechtbank acht de motivering van de minister juist en ziet geen reden om de inbewaringstelling als onevenredig bezwarend te beschouwen. Daarnaast heeft eiser tijdens het vertrekgesprek op 22 december 2025 zijn medische klachten aangekaart en aangegeven dat hij geen medicatie ontvangt, maar ook dat hij niet precies weet hoe de medische dienst in het detentiecentrum werkt. Uit dat gesprek blijkt dat de regievoerder een e-mail heeft gestuurd naar de medische dienst met de vraag van eiser over medicatie. De regievoerder heeft aan eiser in het vertrekgesprek duidelijk gemaakt dat eiser zelf verantwoordelijk is voor het maken van een afspraak bij de medische dienst. De rechtbank beschouwt deze gang van zaken als voldoende en ziet geen aanleiding voor de minister om een lichter middel toe te passen.
Ontbreekt het zicht op uitzetting naar Algerije?
5. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt. Hij zit al drie maanden in bewaring en een reactie van de autoriteiten blijft uit. Volgens eiser moet er een verzwaarde toetsing komen aan proportionaliteit en subsidiariteit vanwege de duur van zijn bewaring. Enkel de administratieve handelingen, zoals rappels naar de autoriteiten sturen en een bevestiging van zijn nationaliteit, vindt eiser onvoldoende om het voortduren van de maatregel voort te zetten. Bovendien is zijn eerdere vlucht geannuleerd. Daardoor kan ook niet worden gesproken over een zicht op uitzetting.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het uitzicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt, zowel in algemene zin [4] als specifiek voor eiser. Uit de hiervoor genoemde voortgangsrapportage blijkt dat de minister op 13 oktober 2025 de aanvraag voor een laissez-passer (lp) naar de Algerijnse autoriteiten heeft verzonden. Daar kwam op 22 november 2025 een antwoord op, namelijk dat eisers identiteit is bevestigd. Vervolgens is op 1 december 2025 een vlucht geboekt voor eiser naar Algerije. Verder leidt de rechtbank uit de toelichting over de lp-aanvraag in de voortgangsrapportage af dat de Algerijnse autoriteiten bereid zijn om een lp af te geven zodra de vluchtgegevens bekend zijn en de gevraagde aanvullende informatie is ontvangen. Uit deze omstandigheden blijkt niet dat het zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt. Van eiser mag worden verwacht dat hij actief en volledig meewerkt aan zijn uitzetting. Dat doet eiser niet. Integendeel. Door zich op 29 december 2025 te verzetten tegen de geboekte vlucht naar Algerije, belemmert eiser zijn terugkeer. Het zicht op uitzetting is alleen al daarom in beginsel gegeven. [5] Het komt voor rekening en risico van eiser dat de bewaring voortduurt, omdat hij niet aan zijn meewerkplicht voldoet en zich verzet tegen zijn uitzetting. Tot slot ziet de rechtbank voor een verzwaarde toetsing omdat eiser op dit moment drie maanden in bewaring, zit geen aanleiding. Voor zover eiser doelt op een verzwaarde belangenafweging, slaagt dit betoog niet. Eerder is aan eiser op 2 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgelegd en aansluitend op een andere rechtsgrond de huidige maatregel op 5 januari 2026, wat betekent dat eiser iets meer dan drie maanden in bewaring zit. Volgens vaste rechtspraak weegt in de eerste zes maanden van de bewaring doorgaans het belang van de minister om de bewaring voort te zetten zwaarder dan het belang van de vreemdeling op vrijlating. Toch kunnen bijzondere omstandigheden maken dat het belang van de vreemdeling, ook binnen die zes maanden, zwaarder weegt dan dat van de minister. In het geval van eiser zijn de rechtbank dergelijke omstandigheden niet gebleken.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [6]
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20083.
3.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
4.ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS 22 februari 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV3295 en de uitspraak van de ABRvS 23 april 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI3894.
6.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (