In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, enkelvoudige kamer, op 20 januari 2026, wordt de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan de eiser heeft opgelegd, beoordeeld. Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is het niet eens met deze maatregel en heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de maatregel van bewaring heeft opgelegd, omdat er geen lichter middel beschikbaar is en er voldoende zicht op uitzetting naar Algerije is. De rechtbank heeft eerder op 31 oktober 2025 de rechtmatigheid van de maatregel getoetst en vastgesteld dat deze toen rechtmatig was. De huidige beoordeling richt zich op de periode sinds het sluiten van dat onderzoek op 28 oktober 2025.
De rechtbank behandelt de beroepsgronden van eiser, waaronder de claim dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel vanwege zijn medische klachten. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom bewaring noodzakelijk is en dat de medische klachten van eiser geen belemmering vormen voor de inbewaringstelling. Eiser heeft zich bovendien verzet tegen zijn uitzetting, wat de noodzaak van de maatregel onderstreept.
Daarnaast stelt eiser dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbreekt, maar de rechtbank concludeert dat er wel degelijk zicht is op uitzetting, aangezien de minister stappen heeft ondernomen om de uitzetting te realiseren. De rechtbank wijst het beroep van eiser ongegrond en bevestigt de maatregel van bewaring, evenals het verzoek om schadevergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.