Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:8780

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
NL25.62895
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 DublinverordeningArt. 4 EU HandvestArt. 8:57 Algemene wet bestuursrechtArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft het beroep schriftelijk behandeld en verklaart het ongegrond. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat inhoudt dat de aangezochte lidstaat (Duitsland) de asielprocedure adequaat uitvoert. Eiser stelde dat Duitsland structurele tekortkomingen heeft in de opvang van asielzoekers, onderbouwd met het AIDA-rapport 2024 en eigen ervaringen.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het vertrouwensbeginsel toepaste, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die de situatie in Duitsland beoordeelden. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie zodanig is gewijzigd dat het vertrouwensbeginsel niet langer geldt.

Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat de minister discretionaire bevoegdheid geeft om de verantwoordelijkheid aan zich te trekken bij bijzondere omstandigheden, faalt omdat eiser deze omstandigheden niet concreet heeft toegelicht.

De rechtbank handhaaft het besluit en wijst het beroep af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62895

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Alkir),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 december 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk is.
1.1.
De rechtbank heeft partijen aanvankelijk uitgenodigd voor een zitting. De gemachtigde van eiser heeft daarna verzocht om de zaak schriftelijk af te doen. De rechtbank heeft de minister gevraagd of hij kan instemmen met het achterwege laten van een zitting. Omdat ook de minister heeft laten weten akkoord te zijn met het achterwege laten van een zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij voert daartoe aan dat er in Duitsland structureel en systematisch tekortkomingen zijn met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ter onderbouwing daarvan verwijst eiser naar het AIDA-rapport update 2024. [3] Hieruit volgt volgens eiser dat de leefomstandigheden in Duitse opvangcentra slecht zijn. Zo is er sprake van overbevolking, wat leidt tot een gebrek aan privacy, onhygiënische sanitaire voorzieningen en overlast. Verder is er een gebrek aan toegang tot gezondheidszorg en sociale bijstand. Eiser heeft ook persoonlijk ervaren hoe de situatie in Duitsland is. Hij wijst er verder op dat er sprake is van discriminatie en dat er regelmatig geweldsincidenten voorkomen. De Duitse autoriteiten handelen op een ontoereikende wijze, aldus eiser.
4.1.
Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door de vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaten in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die eiser heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [4]
4.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hij voor Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 8 november 2023 [5] geoordeeld dat voor Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan, en dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 11 september 2024 [6] en 14 februari 2025. [7] Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de situatie in Duitsland zodanig is gewijzigd dat van die beoordeling niet langer kan worden uitgegaan. De situatie in Duitsland zoals die in het AIDA-rapport update 2024 naar voren komt, geeft (voor wat betreft de opvangsituatie) geen ander beeld van de situatie in Duitsland dan in eerdere rapporten is weergegeven en die is beoordeeld door de Afdeling. [8] Eisers beroep op het AIDA-rapport slaagt daarom niet. Ook in eisers gestelde eerdere eigen ervaringen in Duitsland heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor de conclusie dat voor Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Die ervaringen heeft eiser ook niet toegelicht of onderbouwd. Mocht eiser toch problemen ervaren met bijvoorbeeld de opvang in Duitsland of daar discriminatie of geweld ervaren, dan stelt de minister terecht dat het op de weg van eiser ligt om daarover te klagen bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat zij eiser niet willen of kunnen helpen, of dat klagen bij voorbaat geen zin zal hebben. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding eiser te volgen in zijn stelling dat voor Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
5. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte niet in behandeling heeft genomen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
5.1.
Op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening kan de minister de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag van eiser ook onverplicht aan zich trekken. De minister geeft onder meer toepassing aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt de minister niet snel gebruik van die bevoegdheid.
5.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Eiser heeft in zijn beroepschrift niet toegelicht waarom hij het niet eens is met de beoordeling die de minister in dit verband in het bestreden besluit heeft gemaakt. Voor zover eiser doelt op de door hem aangevoerde individuele omstandigheden die zien op betwisting van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, die in dat kader al door de minister zijn betrokken en beoordeeld, hoeft de minister deze omstandigheden niet nogmaals te betrekken bij de motivering waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [9]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Deitz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Eiser verwijst naar het AIDA-country report: Germany (2024 update) juni 2025, pagina’s 178 en 179.
4.Dit toetsingskader volgt uit HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
5.ABRvS 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4107.
6.ABRvS 11 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3661.
7.ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:575.
8.Zie ook Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 2 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:4181.
9.ABRvS 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5358.