De rechtbank Den Haag heeft op 2 maart 2026 het beroep van eiser behandeld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag en het verzoek tot terugname door Duitsland is aanvaard.
Eiser stelde dat het Dublingehoor onvoldoende zorgvuldig was, onder meer vanwege de korte duur van tien minuten, het ontbreken van doorvragen en zijn analfabetisme waardoor hij de verstrekte brochures niet kon lezen. De rechtbank oordeelde echter dat het gehoor voldoende zorgvuldig was, dat eiser de gelegenheid had gehad zijn bezwaren te uiten en dat het analfabetisme niet afdoet aan de zorgvuldigheid.
Daarnaast betoogde eiser dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mocht worden vanwege systematische tekortkomingen in Duitsland, zoals beschreven in het AIDA-rapport 2024. De rechtbank volgde dit niet en bevestigde dat de minister terecht uitgaat van het vertrouwensbeginsel, gesteund door recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.