ECLI:NL:RBDHA:2026:773

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
NL24.38136
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Nigeriaanse homoseksuele man met HIV

In deze zaak heeft een Nigeriaanse man, die homoseksueel is en HIV-positief, asiel aangevraagd in Nederland. De aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen, waarop de man beroep aantekende. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank stelt vast dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij de verklaringen van de man over zijn homoseksualiteit niet gelooft. De man is ongeschoold en analfabeet, en is opgegroeid in Nigeria, waar een taboe rust op het bespreken van homoseksualiteit. Dit heeft invloed op zijn vermogen om zijn gevoelens en ervaringen te verwoorden. De rechtbank wijst erop dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met deze context en de verklaringen van derden die de homoseksualiteit van de man ondersteunen. Bovendien is het risico dat de man bij terugkeer in Nigeria wordt gestigmatiseerd vanwege zijn HIV-besmetting en homoseksualiteit niet adequaat beoordeeld. De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en draagt deze op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met de uitspraak. De man krijgt een vergoeding van zijn proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38136

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: C. van Es).

Samenvatting

1. Eiser komt uit Nigeria. Hij stelt homoseksueel te zijn en hij heeft HIV. Hij heeft asiel gevraagd in Nederland. Verweerder heeft dat afgewezen. Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft onvoldoende uitgelegd waarom hij de verklaringen van eiser over zijn homoseksualiteit niet gelooft. Eiser is ongeschoold en analfabeet, terwijl hij is opgegroeid in Nigeria waar een taboe rust op praten over homoseksualiteit. Eiser heeft bewijs ingebracht dat hij hierdoor minder goed kan verklaren hierover. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat eiser minder uitgebreid kan verklaren over zaken als gevoelens. Verweerder stelt hier wel rekening mee te hebben gehouden, maar dat is niet gebleken. Daarbij komt dat er verklaringen van derden zijn over activiteiten in Nederland gelieerd aan eisers geaardheid. Het is ook niet duidelijk hoe verweerder hiermee rekening heeft gehouden. En het feit dat eiser HIV heeft, betekent verder dat eiser een risico loopt dat hij bij terugkeer in Nigeria wordt gestigmatiseerd en last krijgt van toegedichte homoseksualiteit, terwijl zeker is dat de voor eisers behandeling benodigde medicatie niet voorhanden is. Verweerder moet hier ook beter op ingaan.
1.2.
Het beroep van eiser is dus gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 14 november 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw [1] ingediend. Hij is van Nigeriaanse nationaliteit en geboren op [datum] 1975.
2.1.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 september 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigden van partijen en [tolk] als tolk deelgenomen. [naam 1] is door eiser meegenomen als getuige.

Beoordeling door de rechtbank

Voorgeschiedenis
3. Eiser is in of rond 2015 uit Nigeria vertrokken. Hij heeft eerst enige tijd in Italië verbleven met een verblijfsvergunning op humanitaire gronden omdat hij HIV besmet bleek en ziek was. Daarna is hij naar Nederland gekomen.
3.1.
Eiser heeft in 2019 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze heeft verweerder bij besluit van 13 mei 2019 buiten behandeling gesteld omdat Italië daarvoor verantwoordelijk was. Het beroep en het hoger beroep tegen dit besluit zijn ongegrond verklaard. Daarna is eiser met onbekende bestemming vertrokken. Hij heeft Europa niet verlaten.
3.2.
Verweerder heeft aan eiser bij besluit van 26 september 2024 uitstel van vertrek verleend als bedoeld in artikel 64 van de Vw voor de periode van één jaar, tot 23 september 2025. Dit vanwege een BMA [2] -advies van 26 september 2024. Daarin staat dat de medicatie die eiser nodig heeft vanwege zijn HIV-besmetting niet beschikbaar is in Nigeria. Aansluitend heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning op medische gronden verleend voor opnieuw de periode van één jaar.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij verklaart dat hij homoseksueel is en dat hij zijn land om deze reden heeft verlaten. Hij verklaart dat veel mensen in Nigeria vanwege hun geaardheid worden mishandeld en dat hij dat niet wil meemaken. Eiser verklaart ook over persoonlijke problemen, zoals toen hij betrapt werd, maar verklaart ook dat dit niet uit de hand is gelopen. Verder stelt eiser dat hij bij terugkeer problemen zal krijgen omdat hij HIV heeft.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:
1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, en
2. eisers homoseksuele geaardheid en de problemen daardoor.
5.1.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het eerste asielmotief wel en het tweede asielmotief niet geloofwaardig is. Eisers verklaringen over het tweede asielmotief vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Eiser maakt namelijk niet inzichtelijk hoe hij besefte dat hij homoseksueel is en hoe hij daarmee is omgegaan. Eiser maakt ook niet inzichtelijk hoe hij omging met zijn moeilijke thuissituatie. Eiser maakt verder niet inzichtelijk hoe zijn geaardheid en zijn religie zich tot elkaar verhouden. Eiser maakt ook niet inzichtelijk hoe het voor hem was om als homoseksueel (gedwongen) te trouwen met een vrouw. Eiser maakt voorts niet aannemelijk dat hij problemen heeft gehad vanwege zijn seksuele geaardheid. Eiser heeft voldoende kennis van de positie van homoseksuelen in Nigeria en in Nederland, maar legt onvoldoende uit hoe voor hem de situatie in Nigeria voor homoseksuelen zich verhoudt tot de situatie in Nederland. Eiser maakt ten slotte niet aannemelijk dat hem in Nigeria een homoseksuele geaardheid wordt toegedicht vanwege zijn HIV-besmetting.
5.2.
Verder kan eiser volgens verweerder in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw. Hij heeft eerder asiel aangevraagd in Italië en toen heeft hij zijn asielprocedure daar niet afgewacht. Verder heeft hij eerder asiel aangevraagd in Nederland en is hij gedurende de overdrachtstermijn met onbekende bestemming vertrokken.
5.3.
Dat eiser HIV heeft, is volgens verweerder op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Wel is het reden voor uitstel van vertrek in afwachting van een advies van BMA.
5.4.
Verweerder concludeert dat de asielaanvraag van eiser ongegrond is.
Beoordeling
6. Eiser voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
Mocht verweerder WI 2024/6 toepassen?
7. Eiser heeft erop gewezen dat hij zijn aanvraag ruim voor de inwerkingtreding van WI [3] 2024/6 heeft ingediend. Omdat verweerder pas besliste na de inwerkingtreding van deze WI is dit voor eiser ongunstige beleid toegepast. Eiser is van mening dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 juli 2024, zijnde de datum van inwerkingtreding van WI 2024/6. Verweerder had het voormalige beleid moeten toepassen.
7.1.
Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende.
7.2.
De rechtbank is er verder ambtshalve mee bekend dat verweerder aanvragen voor verblijfsvergunningen al langere tijd laat liggen omdat zij niet de besliscapaciteit hebben om tijdig te beslissen. Het feit dat verweerder daardoor laat, en pas na een beleidswijziging, op eisers aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.
7.3.
Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van WI 2024/6. De beroepsgrond slaagt niet.
Is WI 2024/6 toegepast in strijd met het Unierecht?
8. Eiser stelt dat WI 2024/6 in strijd is met het Europees recht. Dit wordt met name veroorzaakt doordat het beleid uitgaat van cumulatieve voorwaarden voor de geloofwaardigheidsbeoordeling en omdat het ten onrechte authentieke objectieve documenten vereist, aldus eiser.
8.1.
De rechtbank overweegt dat uit de WI 2024/6 volgt dat verweerder eerst de feiten en omstandigheden identificeert en het asielrelaas vaststelt (stap 1). Verweerder beoordeelt vervolgens de geloofwaardigheid van het asielmotief (stap 2). Daarbij wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve documenten die authentiek zijn (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met dit soort bewijsstukken wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). In dat geval wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw. Deze voorwaarden staan ook in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn [4] .
8.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de wijze van beoordeling aan de hand van WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De beroepsgrond slaagt niet. Ter toelichting dient het volgende.
8.3.
Als de vreemdeling niet in staat is om authentieke en objectief verifieerbare documenten te overleggen, beoordeelt verweerder of de vreemdeling zijn asielrelaas geloofwaardig heeft gemaakt door daar samenhangende en aannemelijke verklaringen over af te leggen. Dat er geen authentieke of objectief verifieerbare documenten zijn, is dus niet bepalend. In de werkinstructie staat ook dat kopieën van documenten wel worden betrokken als het motief niet volledig met documenten is onderbouwd. Dit is in lijn met het arrest LH [5] waarin is geoordeeld dat niet-authentieke documenten bij de beoordeling moeten worden betrokken. Ook betrekt verweerder in de praktijk, ondanks dat mogelijk een andere gedragslijn uit de tekst van WI 2024/6 kan worden afgeleid, ook niet objectieve en/of authentieke bewijsmiddelen bij de geloofwaardigheidsbeoordeling.
8.4.
Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie [6] dat de vijf voorwaarden genoemd in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn cumulatieve voorwaarden zijn. Het niet voldoen aan één van die voorwaarden zou dus in beginsel kunnen volstaan om het asielmotief ongeloofwaardig te achten. Dit neemt niet weg dat verweerder een asielaanvraag altijd op individuele basis moet beoordelen, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval en rekening houdend met alle relevante feiten. De vijf voorwaarden mogen dus niet worden toegepast als een ‘checklist’, in die zin dat als aan één van die voorwaarden niet is voldaan de asielaanvraag ongeloofwaardig moet worden geacht. Ook in WI 2024/6 is vermeld dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid alle feiten en omstandigheden worden betrokken. Verder dient verweerder de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw bij een geloofwaardigheidsbeoordeling individueel te betrekken. Er moet worden bekeken of het redelijk is om een bepaalde voorwaarde tegen te werpen. De rechtbank begrijpt ook dat verweerder in elk individueel geval beziet of het redelijk is te volstaan met de vaststelling dat de vreemdeling niet voldoet aan een enkele voorwaarde van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Hiermee is voldoende gewaarborgd dat de geloofwaardigheidsbeoordeling in algemene zin in overeenstemming is met het Unierecht.
8.5.
De rechtbank wijst ten overvloede nog op het volgende. In de onderhavige zaak heeft verweerder ter zitting gesteld dat zowel artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw als artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw worden tegengeworpen als zelfstandige afwijzingsgrond. Verweerder heeft in de praktijk in meerdere gevallen in beroep de ongeloofwaardigheidsbeoordeling uitsluitend gebaseerd op het tegenwerpen van de voorwaarde genoemd onder c, ondanks dat in de besluitvorming meerdere voorwaarden werden tegengeworpen. Aan de andere kant neemt verweerder in de praktijk hier wisselende standpunten over in. [7] Daarom is niet duidelijk welk beleid verweerder op dit punt hanteert. Dit acht de rechtbank onredelijk. De rechtbank verbindt hieraan thans geen conclusie. De rechtbank volgt namelijk in deze zaak verweerder niet in zijn standpunt dat de voorwaarde genoemd onder e als zelfstandige afwijzingsgrond geldt in deze zaak. Zie het hierna overwogene onder 9.
8.6.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is komen vast te staan dat eiser in grote lijnen als ongeloofwaardig kan worden beschouwd als bedoeld in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw?
9. Eiser heeft gesteld dat verweerder het tweede asielmotief ten onrechte ongeloofwaardig heeft gevonden op de grond dat eiser in grote lijnen als ongeloofwaardig kan worden beschouwd. Volgens eiser had zijn vertrek uit Italië te maken met de slechte omstandigheden aldaar. Hij had na het verlopen van zijn verblijfsvergunning op medische gronden geen opvang meer, aldus eiser.
9.1.
De rechtbank oordeelt dat zelfs als niet wordt gekeken naar de opvangsituatie in Italië in de afgelopen jaren, verweerder onvoldoende onderbouwt dat eiser in grote lijnen als ongeloofwaardig kan worden beschouwd. De enkele omstandigheden die verweerder heeft genoemd zijn onvoldoende om het tweede asielmotief van eiser ongeloofwaardig te vinden. Dat eiser uit Italië is vertrokken en, om overdracht aan Italië te voorkomen, met onbekende bestemming is vertrokken, is onvoldoende voor die conclusie. Er kunnen goede redenen zijn om door te reizen, al dan niet gelegen in de opvangsituatie. Het onderduiken in verband met mogelijke overdracht aan Italië kan zijn gegrond op vergelijkbare goede redenen.
9.2.
De conclusie van verweerder dat eiser in grote lijnen niet geloofwaardig is, doet verder geen recht aan hetgeen eiser heeft verklaard en hoe hij zich overigens heeft gedragen tijdens deze procedure. De beroepsgrond slaagt.
Mocht verweerder uitgaan van het medisch advies bij het nader gehoor?
10. Eiser stelt dat verweerder een nieuw medisch advies had moeten opvragen voorafgaand aan het nader gehoor. Eiser wijst op het tijdsverloop, bijna 1 jaar, en op zijn psychische klachten.
10.1.
De rechtbank stelt het volgende vast. Over eiser is met dagtekening 23 september 2023 een medisch advies afgegeven. Volgens dit advies kon eiser worden gehoord, maar waren er wel beperkingen voor het horen. Volgens dit advies heeft eiser aangegeven psychische klachten te hebben en daardoor emotioneel te kunnen reageren. Ook heeft eiser aangegeven vermoeidheidsklachten te ervaren door verminderd slapen. Daarom wordt geadviseerd eiser ruimte te geven voor zijn emoties en pauzes aan te bieden bij oplopende spanningen. Verder is geobserveerd dat eiser concentratieproblemen ervaart waardoor hij langer de tijd nodig heeft om op antwoorden te komen. Indien nodig moeten vragen daarom worden herhaald en moet eiser tijd gegeven worden om op antwoorden te komen. Tenslotte vermeldt het advies dat eiser analfabeet is en moeite heeft met data.
10.2.
Eiser is hierna op 5 juli 2024 gehoord. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat het medisch advies niet meer voldeed op die datum. Het enkele tijdsverloop van ongeveer tien maanden is onvoldoende om een nieuw advies over de fysieke en psychische toestand van eiser te moeten vragen. Dit tijdsverloop is namelijk niet bijzonder lang. Daarbij komt dat eiser niet heeft onderbouwd dat er medische redenen zijn om ervan uit te gaan dat de medische situatie van eiser was verslechterd ten opzichte van die in september 2023. Verweerder mocht daarom bij het nader gehoor uitgaan van het medische advies.
10.3.
Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat bij het horen of beslissen onvoldoende rekening is gehouden met het medisch advies, volgt de rechtbank eiser ook niet. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat aan eiser meerdere pauzes zijn gegund, vragen meerdere keren zijn herhaald en tijd is geboden om tot een antwoord te komen. Verder zijn aan eiser geen onduidelijkheden met betrekking tot data tegengeworpen. Weliswaar staat in het voornemen een tegenwerping dat eiser in Nigeria al wist van zijn HIV-besmetting en komt deze tegenwerping wellicht voort uit wisselende verklaringen over het jaar waarin eiser in Italië aankwam en het jaar dat hij van zijn besmetting op de hoogte raakte. [8] Uit wat verweerder ter zitting heeft gesteld maakt de rechtbank op dat verweerder thans stelt dat eiser in Italië van de besmetting op de hoogte is geraakt. Die tegenwerping is dus komen te vervallen.
10.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder voldoende en kenbaar rekening gehouden met eisers referentiekader?
11. Eiser heeft gesteld dat verweerder bij het horen en het beslissen onvoldoende en niet op kenbare wijze rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. In dit verband heeft eiser erop gewezen dat hij ongeschoold is, kwetsbaar is vanwege zijn fysieke en psychische situatie en analfabeet is. Verder rust er in Nigeria een taboe op praten over homoseksualiteit en is het niet gebruikelijk om over gevoelens te praten. Eiser kan open zijn over geaardheid, maar kan zijn gevoelens over zijn geaardheid en het komen tot het besef dat hij homoseksueel is, moeilijk onder woorden brengen. Verwezen wordt naar landeninformatie van Unites States Department of State (USDoS) [9] , waaruit blijkt dat het gevaarlijk is om in Nigeria over homoseksualiteit te praten. Een en ander wordt ook ondersteund door de verklaring van Stichting [naam stichting] van 11 juli 2024, waarin staat dat spreken over seksualiteit en gevoelens regelrecht ingaat tegen de Afrikaanse cultuur. Ook is verwezen naar informatie van het gezondheidsinstituut Pharos. Uit die informatie blijkt dat ongeschoolde en analfabete mensen moeite hebben met reflecteren en abstract denken. Daardoor, zo schrijft Pharos, kunnen zij lastig grip krijgen op abstracte zaken zoals gevoelens en emoties. Verweerder heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden, zowel bij het horen als het beslissen. Bij het beslissen werpt verweerder ten onrechte tegen dat van eiser in alle redelijkheid mag worden verwacht dat hij zijn persoonlijke ervaringen in eenvoudige bewoordingen inzichtelijk kan maken. Verder heeft eiser, anders dan verweerder heeft gesteld in het besluit, in de zienswijze expliciet aangegeven hoe de verschillende verklaringen zijn beïnvloed door het referentiekader, aldus eiser.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser ongeschoold en analfabeet is. Uit de informatie die eiser heeft ingebracht van Pharos leidt de rechtbank af dat dit in het algemeen invloed heeft op vaardigheden zoals reflecteren en praten over emoties en gevoelens. Verder erkent verweerder dat in Nigeria een taboe rust op het praten over gevoelens van homoseksualiteit. De rechtbank begrijpt dat dit taboe in het algemeen invloed heeft op de wijze van verklaren over gevoelens van homoseksualiteit door personen die met dat taboe zijn opgegroeid. De rechtbank maakt hieruit op dat in redelijkheid ervan kan worden uitgegaan dat eiser moeite heeft met verklaren over gevoelens en met het reflecteren op eigen gedrag, emoties en gebeurtenissen in het verleden.
11.2.
Verweerder heeft gesteld dat de informatie van Pharos en het feit dat in Nigeria het genoemde taboe bestaat, te algemeen is om daaraan conclusies te verbinden voor eiser zelf. Dit standpunt wijst de rechtbank af. In algemene zin is duidelijk dat eisers persoonlijke vermogen om te verklaren beperkter is dan in Nederland gebruikelijk is. Het is dan aan verweerder om te onderbouwen dat dit uitgangspunt niet voor eiser geldt. Anders dan verweerder heeft gesteld wordt eiser dus ook niet aangerekend dat hij geen informatie heeft ingebracht over zijn persoonlijke vermogen om te verklaren.
11.3.
De rechtbank volgt verweerder wel in zijn standpunt dat in alle redelijkheid van eiser mag worden verwacht dat hij, in eigen, eventueel eenvoudige bewoordingen, over zijn gevoelens en emoties praat. Dit leidt de rechtbank onder andere af uit de bewijslastverdeling in asielzaken. Ondanks de samenwerkingsplicht is het immers aan de asielzoeker zelf om zijn asielwens te onderbouwen. Hij wordt daarom geacht over zijn geaardheid te kunnen verklaren.
11.4.
De rechtbank volgt verweerder ook in zijn standpunt dat bij het horen van eiser in voldoende mate en kenbaar rekening is gehouden met zijn referentiekader. Verweerder heeft ruim de tijd genomen voor het gehoor. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, heeft de gehoormedewerker aan het begin van het nader gehoor aan eiser gevraagd of hij moeite had met verklaren over zijn geaardheid, waarna eiser aangaf dat hij dat kon. Er is toen gesproken over eisers medische situatie en aangegeven dat eiser zelf ook om pauzes kon vragen. Daarna is regelmatig gevraagd hoe het met eiser ging en zijn meerdere pauzes ingelast. Ook is meerdere keren besproken dat het belangrijk is om uitgebreid antwoorden te geven. Verder is bij het gehoor vaak teruggekomen op onderwerpen of zijn vragen herhaald. Ook is regelmatig gevraagd of eiser nog iets wil toevoegen aan een antwoord. Als dat nodig was omdat eiser aangaf iets niet te begrijpen of een onduidelijk antwoord werd gegeven, is ook uitleg gegeven over de vragen.
11.5.
De vraag is echter of verweerder, zoals hij stelt, bij
het beslissenop kenbare wijze en in voldoende mate rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser.
Daarvoor is relevant dat verweerder in het voornemen eisers referentiekader heeft weergegeven. Dit gebeurde aan het begin van de geloofwaardigheidsbeoordeling van het tweede asielmotief op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Dit was voorafgaand aan de verschillende tegenwerpingen die zijn gebaseerd op de verklaringen van eiser. Volgens verweerder is in dit eerste deel van het voornemen aangegeven waarom van eisers verklaringen uit het nader gehoor kan worden uitgegaan. De rechtbank acht dit echter niet relevant, omdat niet is gesteld dat niet van eisers verklaringen tijdens het nader gehoor mag worden uitgegaan. Gesteld wordt dat verweerder te hoge eisen stelt aan die verklaringen en dat is wat de rechtbank moet beoordelen. De enkele weergave in de besluitvorming van het referentiekader en van het standpunt dat daarmee rekening is gehouden, is onvoldoende voor de conclusie dat er daadwerkelijk rekening mee is gehouden.
11.6.
Verweerder heeft gesteld dat in het voornemen telkens is uitgelegd waarom er meer van eiser mag worden verwacht dan wat hij heeft verklaard. Ook heeft verweerder gesteld dat eiser zelf niet uitlegt hoe het referentiekader anders had moeten worden betrokken. Eiser heeft dit gemotiveerd bestreden. Dit betekent dat moet worden beoordeeld of verweerder bij de tegenwerpingen voldoende duidelijk heeft aangegeven waarom de verklaringen van eiser ondanks zijn referentiekader niet voldoen. De rechtbank zal dit hierna bij de geloofwaardigheidsboordeling op grond van letter c nader beoordelen.
11.7.
Gezien het voorgaande slaagt de beroepsgrond voor een deel.
Heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw) vormen?
Zijn eisers verklaringen afdoende?
12. Eiser heeft gesteld dat zijn verklaringen, mede gezien zijn referentiekader, voldoende zijn om een samenhangend en aannemelijk geheel te vormen.
12.1.
Onder 5.1 zijn de verschillende tegenwerpingen weergegeven. In verband met elke tegenwerping heeft verweerder in het voornemen en het besluit aangegeven wat eiser heeft verklaard en waarom die verklaringen niet voldoen. Volgens verweerder zijn ze te summier, te oppervlakkig, onvoldoende gedetailleerd of toegelicht, niet inzichtelijk, te algemeen en/of wisselend. Verder geeft verweerder telkens aan dat van eiser meer mocht worden verwacht. Dan legt verweerder uit wat eiser meer had moeten verklaren. Volgens verweerder had eiser meer uitleg of inzicht moeten geven dan wel meer moeten verklaren over de redenen van of de verbanden tussen de zaken waarover hij heeft verklaard, dan wel over hoe hij met een situatie was omgegaan, dan wel wat het precies met hem deed. Dit betekent dat verweerder telkens geen uitleg geeft
waaromvan eiser meer mag worden verwacht, ondanks zijn referentiekader. Verweerder legt alleen uit
wateiser meer had moeten verklaren. Het is de rechtbank daarom niet duidelijk wat verweerder hiermee heeft bedoeld. Waarom kan van eiser, ondanks dat in het algemeen bekend is dat personen zoals hij minder in staat zijn over hun homoseksuele gevoelens en – na reflectie – over hun ervaringen te verklaren, meer had moeten verklaren? De rechtbank ziet, anders dan verweerder stelt, dus niet op welke wijze bij elke tegenwerping rekening is gehouden met eisers referentiekader. De rechtbank verwacht, rekening houdend met de enigszins terughoudende toets die geldt voor de geloofwaardigheidsbeoordeling, een betere motivering op dit punt. Hierbij acht de rechtbank mede relevant dat eiser in verband met alle tegenwerpingen wel verklaringen heeft afgelegd en alle verklaringen wel enige inhoud hebben. Verder heeft verweerder meerdere keren ten onrechte tegengeworpen dat eiser wisselend heeft verklaard.
12.2.
Per tegenwerping geldt in dit verband het volgende.
12.3.
In verband met ‘besef van homoseksualiteit en hoe daarmee is omgegaan’ heeft eiser telkens verklaard dat hij blij werd van jongens en het aanraken van hen, en dat het dragen van bepaalde producten daaraan bijdroeg, omdat hij zich dan aantrekkelijker voelde voor mannen. Verweerder zou naar eigen zeggen bij de beoordeling van de verklaringen rekening hebben gehouden met de jonge leeftijd waarop eiser besefte volgens eigen verklaringen dat hij homoseksueel was en het feit dat dit lang geleden is. Verweerder legt echter niet uit op welke wijze dit is gedaan. Verder werpt verweerder in dit verband ten onrechte tegen dat eiser wisselend heeft verklaard over de make-up en meisjeskleding. Reeds bij het nader gehoor heeft eiser uitgelegd dat hij eerder niet goed had verklaard en dat hij buitenshuis make-up en oorbellen kon dragen, maar een pruik en meisjeskleding alleen binnenshuis. Eiser mocht die nuance tijdens het gesprek aanbrengen. Dat bij het dragen van dergelijke producten nog geen sprake hoeft te zijn van homoseksualiteit betekent niet dat de verklaringen van eiser niet voldoende zijn. Verweerder werpt ook ten onrechte tegen dat eiser wisselend heeft verklaard over wat het met hem deed toen hij besefte dat hij homoseksueel was. Hij benoemt weliswaar eerst alleen de blijdschap, maar verklaart vervolgens uit eigen beweging op de vraag wat het anders zijn met hem deed, dat hij zich daardoor ook eenzaam voelde. Het benoemen van die andere, negatieve emotie op een ander moment tijdens het gehoor betekent niet dat hij wisselend heeft verklaard.
12.4.
In verband met ‘omgaan met moeilijke thuissituatie’ heeft eiser verteld dat hij bij zijn ouders in angst leefde en dat hij bij zijn zus heeft geleefd en dat zij negatief reageerde toen zij achter zijn geaardheid kwam. Dit geeft enig beeld van eisers omgang met de thuissituatie. Daarbij komt dat uit de verklaringen blijkt dat ook dit alles langere tijd geleden was. Hiermee moet verweerder rekening houden.
12.5.
In verband met ‘verhouding geaardheid en religie’ heeft eiser verteld over de negatieve visie van de kerk op homoseksualiteit en dat hij god zelf wil vragen hoe hij dit ziet. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat van eiser meer kan worden verwacht omdat hij praktiserend christen is. Dit laatste betekent echter niet dat eiser, gezien zijn referentiekader, daarover meer heeft moeten verklaren dan hij deed. Verder geven de verklaringen enig beeld van eisers verhouding tot zijn religie.
12.6.
In verband met ‘huwelijk met een vrouw’ heeft eiser verklaard dat het een gedwongen huwelijk was, dat hij niet met de vrouw heeft samengewoond en dat hij whisky nodig had om seks met haar te hebben. Deze verklaringen geven enig beeld van eisers huwelijk. Daarbij komt dat uit de verklaringen blijkt dat ook dit huwelijk langere tijd geleden was. Hiermee moet verweerder rekening houden.
12.7.
In verband met de gestelde problemen in Nigeria vanwege zijn seksuele geaardheid heeft eiser verklaard dat zijn huisbaas hem één keer heeft betrapt met een man in bed, dat hij toen heeft geschreeuwd en dat hij toen is vertrokken. Verder heeft eiser verklaard via een afspraak met Grindr te zijn beroofd van zijn telefoon en te zijn geslagen. Anders dan verweerder stelt heeft eiser niet wisselend verklaard over de problemen. Dat hij verklaarde niet te zijn mishandeld en dat hij geen nadruk heeft gelegd op deze problemen, kan slechts betekenen dat eiser zijn problemen niet als heel groot heeft ervaren. Dat de problemen niet de reden voor eisers vertrek zijn geweest, is hiermee in overeenstemming. Een klap is ook geen mishandeling. En mogelijk heeft eiser zich op vermoedens gebaseerd dat zijn omgeving van zijn geaardheid op de hoogte was geraakt toen zijn huisbaas hem had betrapt. Dat betekent echter niet dat zijn verklaringen op dit punt niet kunnen worden gevolgd. Eiser heeft ook direct verklaard dat hij werd weggestuurd door zijn huisbaas. Bij dit alles komt ten slotte dat ook de problemen langere tijd geleden zouden zijn geweest. Hiermee moet verweerder rekening houden.
12.8.
In verband met de situatie voor homoseksuelen in Nederland versus die in Nigeria stelt verweerder dat eiser voldoende kennis heeft van de positie van homoseksuelen in Nigeria en Nederland. Onduidelijk is hoe verweerder hiermee rekening heeft gehouden in het licht van WI 2019/17. Verder stelt verweerder dat eiser het verschil over omgang met platforms als Grindr niet zou hebben uitgelegd. Op de vraag hoe Nederland op dit punt verschilt van Nigeria heeft eiser inderdaad alleen verklaard over Nederland. Daarvóór was echter al besproken hoe het in Nigeria ging en dat eiser daar vanwege het gevaar geen gebruik maakte van Grindr.
12.9.
Verweerder heeft ook tegengeworpen dat eiser onvoldoende heeft verklaard over dat hem in Nigeria homoseksualiteit werd toegedicht vanwege zijn HIV-besmetting. Uit de verschillende verklaringen van eiser in het dossier en het standpunt van verweerder ter zitting volgt echter dat eiser van zijn besmetting op de hoogte raakte in Italië. Verweerder werpt ten onrechte tegen dat eiser wisselend hierover heeft verklaard. Er is mogelijk onduidelijkheid in de exacte data, maar dit kan worden verklaard doordat eiser hier moeite mee heeft. De rechtbank wijst op het medisch advies waar dit uit volgt.
Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de verklaringen van [naam 2] namens Stichting [naam stichting] en [naam 1] ?
13. Eiser heeft een beroep gedaan op verklaringen van [naam 2] ( [naam 2] ) namens Stichting [naam stichting] van 11 juli 2024 en van 17 oktober 2024, en een verklaring van [naam 1] ( [naam 1] ) van 14 oktober 2024. De laatste twee verklaringen zijn ingebracht in beroep. Ter zitting heeft [naam 1] een aanvullende verklaring afgelegd als informele getuige. Volgens eiser heeft verweerder hiermee onvoldoende rekening gehouden.
13.1.
De rechtbank oordeelt dat verweerder in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met deze verklaringen. De beroepsgrond slaagt. Dit wordt als volgt toegelicht.
13.2.
Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [naam 2] niet maken dat eiser homoseksueel is. Inderdaad is de organisatie [naam stichting] gericht op HIV en Aids en dus niet specifiek op de LHBTI-gemeenschap. Verder kan [naam 2] niet worden aangemerkt als een deskundige in de zin van de Awb [10] op het gebied van vaststellen van de seksuele geaardheid van een persoon of op het gebied van het beoordelen van de (on)geloofwaardigheid van verklaringen. Dit ondanks dat hij – naar eigen zeggen – al 25 jaar professionele ervaring heeft met counseling. Dit betekent echter niet dat geen rekening moet worden gehouden met zijn verklaringen. Met name zijn de verklaringen relevant omdat daaruit feitelijk blijkt dat bij [naam stichting] een aanzienlijke groep homoseksuele mannen en lesbische vrouwen zijn en dat eiser zich sinds 2019, zijn betrokkenheid met [naam stichting] , presenteert als homoseksuele man.
13.3.
De verklaring van [naam 2] wordt ondersteund door de schriftelijke en mondelinge verklaringen van [naam 1] . Beiden spreken over de training binnen [naam stichting] genaamd ‘ [naam training] ’, waardoor eiser en [naam 1] elkaar zouden hebben leren kennen.
13.4.
De verklaringen van [naam 1] zijn verder van belang omdat zij een aanvullend beeld geven op de feitelijke activiteiten van eiser. Ten eerste is van belang dat [naam 1] zowel schriftelijk als mondeling toegelicht heeft te hebben gezien dat eiser seks had met een man en waarom hij daarbij aanwezig was (parties, sauna’s). Ter zitting is verweerder gelegenheid gegeven om te stellen dat [naam 1] niet werd geloofd, maar daaraan is geen gevolg gegeven. Ten tweede geeft [naam 1] aan dat hij met eiser naar meerdere LHBTI-evenementen is geweest, zoals Roze Maandag en de Canal Pride. Hierop is verweerder niet ingegaan. Verweerder heeft wel gesteld dat opvallend is dat eiser tijdens het nader gehoor niet op de naam van deze persoon kon komen. [11] Dit miskent dat eiser volgens het verslag enkele momenten later alsnog de naam ‘ [naam 3] ’ noemt. [12]
13.5.
De beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerde in het kader van de gestelde homoseksualiteit voldoende rekening gehouden met de HIV-besmetting?
14. Eiser stelt dat het feit dat hij HIV-besmet is, een aanwijzing is voor zijn homoseksualiteit.
14.1.
De rechtbank volgt dit niet. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, is het hebben van HIV niet voorbehouden aan homoseksuele mannen. De door eiser ingebrachte landeninformatie van BMC Public Health [13] wijst daar ook niet op. Daaruit blijkt alleen dat het aandeel van nieuwe HIV-besmettingen in Nigeria relatief groot is onder homoseksuele mannen. Er blijkt niet uit dat het merendeel van de homoseksuele mannen in Nigeria HIV-besmet is.
14.2.
De mogelijkheid bestaat dat eiser vanwege zijn HIV-besmetting in Nigeria als homoseksueel wordt gezien met alle gevolgen van dien. Deze mogelijke toegedichte homoseksualiteit wordt hierna behandeld, maar leidt op zich niet tot geloofwaardig achten van zijn homoseksualiteit.
Heeft eiser recht op asiel vanwege zijn HIV?
15. Eiser stelt dat hij, omdat hij HIV heeft, in Nigeria stigma zal ervaren. Daarbij komt dat eiser de nodige medicatie in Nigeria niet kan krijgen.
15.1.
In feite is hier sprake van een derde asielmotief: eiser heeft HIV. Verweerder heeft dit motief niet expliciet benoemd, maar wel beoordeeld. Hij heeft het asielmotief geloofwaardig geacht en getoetst of eiser op grond daarvan gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstig schade.
15.2.
Uit landeninformatie blijkt dat personen met HIV in Nigeria te maken krijgen met stigmatisering. [14] Daarnaast blijkt uit het AAB [15] dat leden van de LHBTI-gemeenschap het zwaar hebben in Nigeria: zowel nationale als islamitische strafwetgeving criminaliseren seks tussen individuen van dezelfde sekse en leden van de LHBTI-gemeenschap genieten geen juridische bescherming tegen discriminatie. Er is volgens het landenbeleid dan ook sprake van een risicoprofiel als iemand lid is van de LHBTI-gemeenschap. Uit andere landeninformatie blijkt een verband tussen de stigmatisering vanwege HIV en LHBTI [16] . Dit wijst erop dat dat eiser als HIV-besmette te maken kan krijgen met toegedichte homoseksualiteit.
15.3.
Het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hijzelf bij terugkeer in Nigeria een homoseksuele geaardheid wordt toegedicht vanwege zijn HIV, is onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft gesteld dat, hoewel uit algemene landeninformatie blijkt dat er een associatie is tussen homoseksualiteit en HIV, als ook dat HIV-positieve individuen over het algemeen een stigma ervaarden, eiser aannemelijk moet maken dat hiervan in zijn specifieke geval sprake zal zijn. Dit miskent voornoemde algemene informatie. Zonder nadere toelichting is niet duidelijk waarom eiser moet onderbouwen dat hij als persoon dit soort zaken zal meemaken. Eiser kan dit ook niet met eigen ervaringen onderbouwen, omdat hij al was vertrokken uit Nigeria toen hij van zijn HIV-besmetting op de hoogte raakte.
15.4.
Het voorgaande dient te worden onderscheiden van de vraag of eiser vanwege de mogelijke stigmatisering dusdanig zal worden gediscrimineerd dat hij zo ernstig in zijn bestaansmogelijkheden wordt beperkt dat het voor hem onmogelijk is op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Op dit punt moet verweerder nog ingaan. Daarbij is relevant op welke wijze eiser vanwege zijn HIV mogelijk zal worden gestigmatiseerd. Ook is relevant wat daarvan de mogelijke gevolgen zullen zijn, bijvoorbeeld voor wat betreft de toegang tot medische voorzieningen. In dit verband is relevant in welke mate dan bekend wordt dat eiser mogelijk homoseksueel is en waar dat toe leidt voor eiser.
15.5.
Dat op dit moment niet mogelijk is om de voor de behandeling van eiser benodigde medicatie te krijgen in Nigeria, betekent op zichzelf nog niet dat eiser recht op internationale bescherming heeft. Eiser heeft op dit moment een verblijfsvergunning voor een jaar op medische gronden, dus een situatie dat eiser het risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege het ontbreken van de noodzakelijke medische behandeling doet zich nu niet voor.
15.6.
Deze beroepsgrond slaagt gezien het onder 15.3 en 15.4 overwogene.
Conclusie en gevolgen
16. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat verweerder een nieuw besluit moet nemen op eisers asielaanvraag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat dit aan verweerder is. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
16.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
16.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder is de getuige gekomen vanuit Tilburg. De gemachtigde heeft na sluiting van het onderzoek gevraagd om vergoeding van zijn reiskosten. Dit verzoek kan niet worden meegenomen omdat verweerder hier niet op heeft kunnen reageren. Het is onvoldoende reden voor heropening van de zaak.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 september 2024;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Bureau Medisch Advisering.
3.Werkinstructie.
4.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011.
5.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, LH, ECLI:EU:C:2021:478.
6.Arrest van 29 juni 2023, ECLI:EU:C:2023:523, r.o. 88 en verder.
7.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBDHA:2025:19462, r.o. 5.2.1; ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, r.o. 4.5; ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, 7.2 en 7.3. Zie ook bijvoorbeeld ECLI:NL:RBDHA:2025:11144, r.o. 9.2.
8.Voornemen paragraaf 2.1.7.
9.‘2023 Country Reports on Human Rights Practices: Nigeria’.
10.Algemene wet bestuursrecht.
11.Besluit pagina 7.
12.Verslag nader gehoor pagina 29.
13.‘Rising HIV prevalence among men who have sex with men in Nigeria: a trend analysis’, 2 september 2019.
14.USDoS, zie noot 9, pagina 38.
15.Algemeen Ambtsbericht voor Nigeria van maart 2021, pagina 62.
16.AAB pagina 71-72 en UK Home Offcie, ‘Country Policy and Information Note, Nigeria: Sexual orientation, gender identity and expression (SOGIE)’, februari 2022, paragraaf 8.2.9.