ECLI:NL:RBDHA:2026:7513

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
NL25.46459
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 2u Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvragen machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, heeft overschreden zonder een besluit te nemen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig is ingesteld na een rechtsgeldige ingebrekestelling en verklaart het beroep gegrond. Gelet op de bijzondere omstandigheden bij aanvragen van houders van een asielvergunning, wordt een langere beslistermijn dan de standaard twee weken passend geacht.

Verweerder heeft herstel van het verzuim aangeboden en verzoekt om een termijn van zestien weken voor het nemen van een besluit, wat de rechtbank niet onredelijk acht. De rechtbank legt een termijn van zestien weken op waarbinnen verweerder een besluit moet nemen en stelt een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het door eisers betaalde griffierecht en de proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp en openbaar gemaakt op 1 april 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een termijn van zestien weken op voor het nemen van een besluit met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46459

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1]

V-nummer: [V-nummer 1]
[eiser 2]
V-nummer: [V-nummer 2]
[eiser 3]
V-nummer: [V-nummer 3]
[eiseres 1]
V-nummer: [V-nummer 4]
[eiseres 2]
V-nummer: [V-nummer 5]
[eiser 4]
V-nummer: [V-nummer 6]
samen: eisers
(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Banwari).

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld omdat niet tijdig zou zijn beslist op de aanvragen tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging.
Verweerder heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. De aanvragen zijn ingediend op 15 september 2023. Verweerder moet op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen beslissen. [1] Onder verwijzing naar de laatste volzin van dit artikellid heeft verweerder de beslistermijn verlengd met drie maanden. Verweerder had dus uiterlijk op 14 maart 2024 een besluit moeten nemen. De termijn waarbinnen verweerder had moeten beslissen is daarom voorbij zonder dat er een besluit is genomen. Verweerder is op 4 mei 2024 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Op 24 september 2025 is het beroep ingesteld. Er zijn tussen de ingebrekestelling en het beroep meer dan twee weken verstreken, zodat het beroep tijdig is ingesteld. Het beroep is kennelijk gegrond.
3. Als verweerder niet op tijd heeft beslist, legt de rechtbank op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn op van twee weken waarbinnen hij een besluit bekend moet maken. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid van deze bepaling een andere termijn opleggen of een andere voorziening treffen.
4. De rechtbank is van oordeel dat bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning op dit moment sprake is van een bijzonder geval. Zij verwijst voor een uitgebreide motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2023 [2] en naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2024. [3] Omdat ook in reguliere zaken de zorgvuldigheid van de besluitvorming zwaar weegt en deze niet zonder meer mag worden opgeofferd aan de voorgeschreven snelheid, is er echter geen aanleiding om in zaken die betrekking hebben op een reguliere mvv-aanvraag anders te oordelen. Er is dan ook reden om met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een langere termijn dan twee weken op te leggen.
5. Bij het bepalen van de nadere beslistermijn ten aanzien van een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf, sluit de rechtbank aan bij de beslistermijnen die worden verbonden aan de verschillende fasen in de besluitvorming zoals genoemd in de bovenvermelde uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 17 maart 2023. In de eerder genoemde uitspraken van 3 juli 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat deze nadere beslistermijnen redelijk zijn. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 mei 2025, [4] bevestigd dat het geboden kader met beslistermijnen in de uitspraken van 3 juli 2024 nog altijd een juist uitgangspunt is.
6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift meegedeeld dat de aanvragen inmiddels zijn toegewezen aan een behandelaar. Verweerder heeft herstel verzuim geboden bij brief van 18 september 2025. Verweerder deelt ook mee dat hij voornemens is om nader onderzoek, in de vorm van een gehoor en een DNA-onderzoek te verrichten. Om deze redenen verzoekt verweerder aan de rechtbank om een nadere termijn van zestien weken te bepalen. De rechtbank acht dit niet onredelijk.
7. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 aan eisers verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
8. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194 moet vergoeden en verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 draagt verweerder op om binnen zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvragen bekend te maken;
 bepaalt dat verweerder aan eisers een dwangsom van € 100 (honderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);
 bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) moet vergoeden;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Zie artikel 1.27 in samenhang met artikel 1.24 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit betekent dat de beslistermijn als bedoeld in artikel 2u, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing is. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5787.
2.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.
4.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2025:2337.