ECLI:NL:RBDHA:2026:7381
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor zijn ouders, zussen en broers. Verweerder, de minister van Asiel en Migratie, heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 van Pro de Awb.
De aanvraag is ingediend op 11 april 2024 en de minister had uiterlijk op 10 oktober 2025 moeten beslissen, rekening houdend met een verlenging van de beslistermijn met drie maanden. Omdat geen besluit is genomen en eiser op 4 december 2024 rechtsgeldig in gebreke is gesteld, is het beroep tijdig en kennelijk gegrond.
De rechtbank oordeelt dat in zaken omtrent gezinshereniging bij houders van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval, waardoor een langere beslistermijn dan de standaard twee weken passend is. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000 bij overschrijding van deze termijn. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €194 en proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert op 31 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens niet tijdig besluit en legt een termijn van acht weken en een dwangsom op aan de minister.