ECLI:NL:RBDHA:2026:7170
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eiseres heeft namens zichzelf en haar minderjarige kinderen beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De aanvraag werd ingediend op 10 oktober 2024, waarna de minister de beslistermijn met drie maanden verlengde, waardoor uiterlijk 8 april 2025 een besluit had moeten worden genomen. Dit is niet gebeurd, waarna eiseres op 6 augustus 2025 de minister rechtsgeldig in gebreke stelde en op 5 november 2025 beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig en gegrond is, aangezien de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Gelet op de bijzondere omstandigheden rond aanvragen om gezinshereniging bij houders van een asielvergunning, wordt een langere beslistermijn dan de standaard twee weken opgelegd. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met de mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak is gedaan door rechter M.L. Weerkamp en griffier N.A. D’Hoore op 27 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt een nadere beslistermijn van acht weken op met een dwangsom bij overschrijding.