ECLI:NL:RBDHA:2026:695
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging voor zijn familieleden. De minister van Asiel en Migratie heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, een besluit genomen. De rechtbank stelt vast dat de termijn is verstreken zonder besluit en dat het beroep tijdig is ingediend na een rechtsgeldige ingebrekestelling.
De rechtbank oordeelt dat het niet tijdig beslissen gelijkstaat aan een besluit en verklaart het beroep gegrond. Gelet op de bijzondere omstandigheden bij asielgerelateerde gezinshereniging wordt een termijn van acht weken opgelegd waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor overschrijding van deze termijn.
De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van reeds verbeurde dwangsommen van €1.442, vergoeding van het griffierecht van €194 en proceskosten van €467. De uitspraak is gedaan door rechter E.F. Bethlehem en openbaar gemaakt op 15 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met oplegging van dwangsommen en vergoeding van kosten.