ECLI:NL:RBDHA:2026:695
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit op aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging
In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn familieleden. De aanvraag is op 28 mei 2024 ingediend, en de minister had op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen moeten beslissen. De termijn is verlengd met drie maanden, waardoor de minister uiterlijk op 26 november 2024 een besluit had moeten nemen. Aangezien er geen besluit is genomen, is de minister in gebreke gesteld op 2 december 2024. Eiser heeft op 4 augustus 2025 beroep ingesteld, wat tijdig is, omdat er meer dan twee weken zijn verstreken na de ingebrekestelling.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep gegrond is, omdat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank legt de minister een termijn van acht weken op om een besluit bekend te maken, met de mogelijkheid van een langere termijn indien nader onderzoek nodig is. Tevens is de minister verplicht om een dwangsom van € 100 per dag te betalen voor elke dag dat de termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. Eiser heeft recht op vergoeding van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen van € 1.442 en het griffierecht van € 194. De proceskosten worden vastgesteld op € 467. De uitspraak is gedaan door mr. E.F. Bethlehem op 15 januari 2026.