Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6913

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
25/9153
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParagraaf 3.1.3 Beleidsregels VOG-NP-RP-2025Paragraaf 3.1.4 Beleidsregels VOG-NP-RP-2025Paragraaf 3.1.4.1 Beleidsregels VOG-NP-RP-2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toegewezen tegen afwijzing Verklaring Omtrent het Gedrag voor groepsbegeleider

Verzoeker vroeg op 24 juni 2025 een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan voor de functie van groepsbegeleider bij een bedrijf in Arnhem. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees de aanvraag af op basis van een veroordeling voor bedreiging en belediging van een ambtenaar in functie in juni 2023 en politiegegevens over grensoverschrijdend gedrag.

Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, stellende dat er geen verband is tussen de functie en de feiten, dat hij eerder een VOG kreeg voor dezelfde functie, en dat hij door de afwijzing zijn baan en inkomen verloor. Verweerder betwistte het spoedeisend belang en handhaafde de afwijzing vanwege het risico voor de samenleving.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat het objectieve criterium was vervuld, maar dat het subjectieve criterium onvoldoende was gemotiveerd. Met name ontbraken onderliggende gegevens over een melding uit 2023 die voor verweerder doorslaggevend was. Ook was een melding ten onrechte meegewogen terwijl deze was geseponeerd met een technisch sepot.

Gezien het spoedeisend belang van verzoeker en de onvoldoende gemotiveerde risico-inschatting van verweerder, wees de voorzieningenrechter het verzoek toe. Het bestreden besluit werd geschorst en verzoeker werd behandeld alsof hij in het bezit was van de gevraagde VOG totdat de beslissing op bezwaar is genomen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt toegewezen en het besluit geschorst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9153

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 januari 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. T.J.N. Hameleers),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.L. de Gier).

Procesverloop

1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 november 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft op 24 juni 2025 verzocht om afgifte van VOG voor de functie van groepsbegeleider bij [bedrijfsnaam] B.V. in Arnhem. Op het aanvraagformulier is het screeningsprofiel ‘gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ door de werkgever aangekruist. Verweerder heeft onderzoek gedaan en de aanvraag afgewezen omdat verzoeker binnen de terugkijktermijn in aanraking is geweest met justitie. Zo heeft de politierechter op 24 oktober 2023 een geldboete van € 500,- aan verzoeker opgelegd vanwege bedreiging en beledeging van een ambtenaar in functie gepleegd op 12 juni 2023. Verder heeft verweerder politiegegevens bij de beoordeling betrokken. Gelet hierop is er volgens verweerder onvoldoende vertrouwen dat verzoeker zijn werkzaamheden als groepsbegeleider op een integere en zorgvuldige manier zal uitvoeren. Deze uitspraak gaat over de vraag of het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen.
Wat vindt verzoeker?
3. Verzoeker verzoekt om toewijzing van de voorlopige voorziening in de zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat wordt bepaald dat hij tot de beslissing op bezwaar wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG voor de functie van groepsbegeleider. Hij voert aan dat er geen verband bestaat tussen de functie van groepsbegeleider en bedreiging en beledeging van een ambtenaar in functie, waarvoor hij is veroordeeld. Hij wijst erop dat hij in juni 2024 wel nog een VOG kreeg, voor eenzelfde functie met hetzelfde screeningsprofiel. De omstandigheden zijn sindsdien ongewijzigd gebleven. Voor zover wel aan het objectieve criterium zou zijn voldaan, dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van de samenleving. Verweerder heeft in strijd met de beleidsregels politiegegevens gebruikt bij de beoordeling. De politiegegevens bevatten slechts meldingen zonder onderbouwing. Bovendien is één van de twee meldingen geseponeerd met een technisch sepot. Verzoeker was al begonnen bij zijn nieuwe werkgever, maar heeft door de afwijzing noodgedwongen zijn werkzaamheden moeten staken. Het spoedeisend belang is erin gelegen dat verzoeker geen andere vorm van inkomen heeft, dit terwijl hij kostwinner is en zijn gezin financieel onderhoudt. [1] Zodra hij in het bezit wordt gesteld van een VOG, is hij weer van harte welkom bij zijn werkgever.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder betwijfelt of sprake is van een spoedeisend belang nu verzoeker geen stukken heeft overgelegd die onderbouwen dat hij in een acute financiële noodsituatie verkeert. [2] Verzoeker kan bovendien een andere baan zoeken. Dat hij niet de door hem beoogde baan kan uitoefenen is onvoldoende reden om een spoedeisend belang aan te nemen. Verweerder verzet zich tegen de gevraagde voorziening, omdat toewijzing leidt tot een voor de samenleving zeer onwenselijke situatie wanneer vervolgens na de behandeling van het bezwaar blijkt dat de VOG terecht is afgewezen. In de bestreden beslissing is terecht tot de conclusie gekomen dat aan het objectieve criterium is voldaan en heeft er een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, waarbij verweerder voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom op dit moment het belang van verzoeker bij toewijzing van de VOG niet zwaarder weegt dan het belang van de bescherming van de samenleving tegen de door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico’s.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe omdat zij van oordeel is dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker spoedeisend belang?
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. De voorzieningenrechter beoordeelt daarom eerst of verzoeker een spoedeisend belang heeft bij zijn verzoek. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker in deze zaak voldoende spoedeisend belang heeft nu hij de baan waar hij werkzaam was en inkomen uit verdiende niet meer kan uitoefenen omdat zijn VOG is afgewezen.
Is voldaan aan het objectieve criterium?
7. De afgifte van de VOG wordt in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij het objectieve criterium wordt niet gekeken naar de persoon van de verzoeker zelf. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie/taak/bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. [3]
7.1.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat is voldaan aan het objectieve criterium. In de beslissing op de aanvraag noemt verweerder dat sprake is van een risico voor de samenleving omdat indien het strafbare feit wordt herhaald het risico bestaat dat de personen waarvoor verzoeker verantwoordelijk is geweld zien dan wel slachtoffer worden van geweld. Dit terwijl verzoeker níét is veroordeeld voor een geweldsdelict. Verzoeker is namelijk vrijgesproken van huiselijk geweld/(ex-)partnermishandeling. Verweerder heeft dit in het verweerschrift ook erkend en aangegeven dit in de beslissing op het bezwaar te herstellen. Verweerder betoogt echter terecht dat (alsnog) aan het objectieve criterium wordt voldaan omdat het risico bestaat dat indien de strafbare feiten wordt herhaald (kwetsbare) personen die aan de zorg van verzoeker zijn toevertrouwd in aanraking komen met belediging en bedreiging. Verzoeker stelt dat de strafbare feiten geen verband houden met de functie waarvoor de VOG is aangevraagd, maar de opgesomde risico’s in het screeningsprofiel ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ zijn niet limitatief. [4] Dat het screeningsprofiel dus niet expliciet ‘belediging’ dan wel ‘bedreiging’ noemt, kan verzoeker dus niet baten. Verzoeker wijst er verder op dat in zijn werk als groepsbegeleider geen sprake zal zijn van een-op-eencontact. Hierover merkt de voorzieningenrechter op dat niet kan worden uitgesloten dat betrokkene niet toch een-op-eencontact heeft met degenen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd. [5]
Is voldaan aan het subjectieve criterium?
8. Op grond van het subjectieve criterium kan worden geoordeeld dat, vanwege de omstandigheden van het geval, het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. [6] Als ‘omstandigheden van het geval’ kunnen (onder meer) worden genoemd: de afdoening van de strafzaak (waarbij ook de kans op recidive van belang is), het tijdsverloop, de hoeveelheid antecedenten en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Naast justitiële gegevens kunnen ook politiegegevens in de beoordeling worden betrokken. Hoewel politiegegevens niet altijd tot vervolging hebben geleid, kan hiermee een betrouwbaar beeld worden verkregen van de integriteit van de aanvrager. [7] Verweerder heeft bij voormelde belangenafweging een zekere beoordelingsruimte.
8.1.
Verweerder heeft in de beslissing op de aanvraag meegewogen dat verzoeker voorkomt in de politiegegevens. Daaruit blijkt dat er twee meldingen zijn van grensoverschrijdend gedrag. Verweerder stelt dat deze meldingen laten zien dat verzoeker op de werkvloer de grenzen van toelaatbaar gedrag opzoekt. Wanneer dit samen met de veroordeling voor het geweldsfeit wordt bekeken, weegt volgens verweerder het belang van de samenleving zwaarder dan het persoonlijk belang van verzoeker van het verkrijgen van een VOG. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder ten onrechte heeft meegewogen dat sprake is van een veroordeling voor een geweldsfeit (zie ook onder r.o. 7.1). Ook heeft verweerder ten onrechte een van de meldingen meegewogen nu een technisch sepot op grond van paragraaf 3.1.3.1. van de Beleidsregels niet mag worden meegewogen. Verweerder heeft dit ook erkend en heeft in het verweerderschrift en ter zitting aangegeven dit in de beslissing op bezwaar te zullen herstellen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat desondanks de gevraagde VOG moet worden geweigerd. Vanwege een melding uit oktober 2023 waaruit zou volgen dat verzoeker aan de benen van een cliënt heeft gezeten en met haar heeft gesproken over vreemdgaan, zoekt verzoeker volgens verweerder de grenzen van toelaatbaar gedrag op de werkvloer op. In combinatie met de veroordeling voor belediging en bedreiging heeft verweerder onvoldoende vertrouwen dat verzoeker zijn werkzaamheden op een integere en zorgvuldige manier zal uitvoeren. Het belang van de bescherming van de samenleving weegt volgens verweerder zwaarder dan het belang van verzoeker.
8.2.
Op basis van de stukken en het verhandelde op zitting stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoeker op 24 oktober 2023 is veroordeeld voor belediging en bedreiging. Deze zijn, zoals verweerder zelf ook aangeeft, afgedaan met een lichte straf, namelijk een geldboete van € 500,-. Niet is gebleken van omstandigheden waaronder deze feiten zijn gepleegd. Verder staan er geen andere strafbare feiten op het strafblad van verzoeker. Ten aanzien van de melding stelt de voorzieningenrechter vast dat er geen onderliggende stukken ter inzage (eventueel onder geheimhouding) zijn overgelegd. Verzoeker heeft aangegeven in het geheel niet bekend te zijn met deze melding. Ook is niet gebleken van enige strafrechtelijke gevolgen naar aanleiding van deze melding. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wegens het ontbreken van onderliggende gegevens het niet duidelijk is geworden hoe de feiten waarop verweerder de weigering heeft gebaseerd moeten worden geduid, terwijl deze melding voor verweerder van doorslaggevend belang is geacht. Verweerder heeft immers ter zitting aangegeven in 2024 wel een VOG met eenzelfde screeningsprofiel aan verzoeker te hebben afgegeven, omdat verweerder toen niet bekend was met de melding uit oktober 2023 terwijl hij wel bekend was met de veroordeling voor belediging en bedreiging.
8.3.
Gelet op het voorgaande vindt de voorzieningenrechter de risico-inschatting die verweerder heeft gemaakt onvoldoende gemotiveerd en heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. De beroepsmatige en financiële belangen van verzoeker wegen in dit geval zwaarder dan het belang van verweerder en de samenleving bij onmiddellijke inwerkingtreding van het besluit. Zij wijst het verzoek daarom toe.

Conclusie en gevolgen

9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst en bepaalt dat verzoeker dient te worden behandeld als ware hij in het bezit van de gevraagde VOG voor de functie binnen het specifieke screeningsprofiel ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ totdat verweerder een beslissing op het bezwaar van verzoeker bekend heeft gemaakt.
9.1.
Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet verweerder de proceskosten van verzoeker vergoeden (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en weging 1). Dit bedrag is geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ook moet verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit en bepaalt dat verzoeker wordt behandeld als ware hij in het bezit van de gevraagde VOG voor de functie binnen het specifieke screeningsprofiel ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’, tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verzoeker verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 september 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3682, en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 oktober 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9960.
2.Verweerder verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 september 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AN6769.
3.Paragraaf 3.1.3. Het objectieve criterium, van de Beleidsregels VOG-NP-RP-2025.
4.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1583, r.o. 3.2.
5.Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2025, ECLI:NLRBZWB:2025:2025:8605.
6.Paragraaf 3.1.4. Het subjectieve criterium
7.Paragraaf 3.1.4 en paragraaf 3.1.4.1 van de Beleidsregels.