Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6884

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
NL25.51732
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, zesde lid, Vw 2000Art. 3.113, tweede lid, Vb 2000Art. 6:22 AwbArt. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somalië wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende risico op vervolging

Eiseres, een Somalische vrouw, vroeg asiel aan na bedreigingen door haar oom, die lid zou zijn van Al-Shabaab, en de moord op haar zus. Zij stelde dat zij vanwege deze omstandigheden vreest voor vervolging bij terugkeer naar Somalië.

De minister wees de aanvraag af omdat de geloofwaardigheid van haar werkzaamheden in een ziekenhuis en de problemen met haar oom niet konden worden vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat het nader gehoor correct is verlopen en dat de minister terecht twijfelt aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas, mede vanwege het ontbreken van ondersteunende documenten en tegenstrijdigheden in verklaringen.

Verder concludeert de rechtbank dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer, mede omdat de minister het lidmaatschap van haar oom bij Al-Shabaab niet aannemelijk acht. Hoewel het terugkeerbesluit het land van terugkeer niet expliciet vermeldt, is dit wel opgenomen in het voornemen, wat voldoende is.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres wegens een vastgesteld gebrek in het nader gehoor.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51732

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Pals),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. [1] Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiseres heeft niet uitgelegd waarom het nader gehoor op onjuiste wijze is verlopen. Verder is de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres heeft beoordeeld niet in strijd met het Unierecht en is de minister terecht tot de conclusie gekomen dat de werkzaamheden van eiseres in het ziekenhuis en haar problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn. In het verlengde hiervan is de minister ook terecht tot de conclusie gekomen dat eiseres bij terugkeer naar Somalië geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiseres naar Somalië moet terugkeren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat een beschrijving van het asielrelaas van eiseres en onder 4 staat waarom de minister de asielaanvraag heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 5. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 27 juli 2023 een asielaanvraag gedaan. Met het bestreden besluit van 16 oktober 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1998. Zij heeft aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Toen eiseres in mei 2023 startte als schoonmaakster in een ziekenhuis, heeft haar oom – die actief is voor Al-Shabaab – haar gevraagd om informant te worden. Eiseres wilde dat weigeren. Omdat dit volgens haar oom niet mogelijk was, heeft ze tegen hem gelogen dat zij met haar werk in het ziekenhuis was gestopt. De oom is hier achter gekomen, waarna hij eiseres heeft bedreigd en naar haar op zoek is gegaan. Tijdens deze zoektocht heeft hij de zus van eiseres vermoord. Eiseres is na deze gebeurtenis gevlucht: in eerste instantie naar Dhobley, vervolgens naar Europa.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Werkzaamheden in het ziekenhuis en problemen met oom, die lid is van
Al-Shabaab.
4.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig zijn. De minister vindt de werkzaamheden in het ziekenhuis en de problemen met de oom van eiseres niet geloofwaardig. De minister heeft daarom alleen beoordeeld of eiseres op grond van haar identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Omdat dit volgens de minister niet het geval is, heeft de minister de asielaanvraag afgewezen.
Is het nader gehoor op juiste wijze verlopen?
5. Eiseres heeft in de beroepsgronden (onder het kopje ‘Overige opmerkingen ten aanzien van de correcties en aanvullingen’) verwezen naar de zienswijze, waar zij heeft betoogd dat het nader gehoor niet op juiste wijze is verlopen. In de zienswijze heeft zij gesteld dat antwoorden op vragen niet (correct) in het verslag zijn opgenomen en de hoormedewerker onvoldoende heeft doorgevraagd. Het ligt op de weg van eiseres om in haar beroepsgronden toe te lichten waarom de minister hierop in het bestreden besluit onvoldoende heeft gereageerd. Dat heeft zij met de enkele opmerking dat de minister met “vage en summiere woorden” heeft gereageerd niet gedaan, zodat de rechtbank aan dit betoog voorbijgaat. Eiseres heeft haar betoog slechts op een enkel punt van een nadere toelichting voorzien. De rechtbank zal deze toelichting beschouwen als onderdeel van de beroepsgronden van eiseres over de geloofwaardigheid van haar asielrelaas en daarom hierna in het kader van deze beroepsgronden beoordelen.
Is de wijze van geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht?
6. Het betoog van eiseres dat de wijze van geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas uit de Werkinstructie (WI) 2024/6 in strijd is met het Unierecht slaagt niet. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft in haar uitspraken van 8 september 2025 en 25 juni 2025 namelijk geoordeeld dat de WI 2024/6 niet in strijd is met het Unierecht [2] en eiseres heeft in haar betoog niet toegelicht waarom zij vindt dat dit oordeel onjuist is of de rechtbank niet (langer) van dat oordeel mag uitgaan.
Mocht de minister de werkzaamheden in het ziekenhuis en de problemen met de oom van eiseres (het tweede asielmotief) ongeloofwaardig vinden?
7. Eiseres betoogt dat de minister haar werkzaamheden in het ziekenhuis en de problemen met haar oom ten onrechte ongeloofwaardig vindt.
Eiseres heeft onvoldoende documenten gegeven en geen verklaring gegeven voor het ontbreken daarvan (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000)
8. Eiseres betoogt dat de minister niet aan haar mocht tegenwerpen dat zij onvoldoende documenten heeft overgelegd en daar geen verklaring voor heeft. Eiseres zag het toegangspapiertje voor het ziekenhuis niet als waardevol: eiseres zou immers later, als zij definitief zou worden aangenomen, een officiële werkpas krijgen en bovendien heeft eiseres bij haar vlucht niet gedacht aan het meenemen van dit papiertje. In Nederland heeft zij nog geen gelegenheid gehad om dit document terug te vinden, omdat zij geen contact heeft met haar man en het Rode Kruis afraadt om haar familie in Somalië te benaderen. Verder heeft eiseres geen overlijdensakte van haar zus, omdat haar zus – anders dan de minister stelt – ook zonder overlijdensakte kon worden begraven. Bovendien heeft het geen zin om deze overlijdensakte op te vragen, omdat dit vanuit Nederland onmogelijk is en de minister zich dan waarschijnlijk op het standpunt zal stellen dat dit een vals document is.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich namelijk terecht op het standpunt dat eiseres onvoldoende documenten heeft overgelegd en geen verklaring heeft voor het ontbreken van die documenten. De minister werpt allereerst terecht tegen dat eiseres haar werkzaamheden in het ziekenhuis niet met documenten heeft onderbouwd. Eiseres heeft verklaard dat zij een toegangspapiertje (met handtekening en stempel) heeft ontvangen om het ziekenhuis binnen te komen. [3] Zij was daarom in het bezit van een document waarmee zij haar werkzaamheden in het ziekenhuis – die een belangrijke rol in haar asielrelaas spelen – nader had kunnen onderbouwen. Dat eiseres dit document zelf niet belangrijk vond, doet hieraan niet af. Eiseres heeft geen enkele inspanning verricht om (alsnog) aan dit document te komen en ook niet onderbouwd waarom dit niet mogelijk zou zijn.
8.1.1.
Verder werpt de minister terecht tegen dat eiseres de dood van haar zus niet met documenten heeft onderbouwd. Hoewel eiseres niet heeft verklaard dat zij in het bezit is (geweest) van een overlijdensakte, stelt de minister terecht dat eiseres deze zou moeten kunnen verkrijgen. De minister wijst er namelijk terecht op dat in Somalië overlijdensakten worden opgemaakt en dat deze verplicht zijn om toestemming voor een begrafenis te krijgen, [4] en dat eiseres heeft verklaard dat haar zus is begraven. [5] Het is niet gebleken dat eiseres enige inspanning heeft verricht om een overlijdensakte te verkrijgen. Dat dit vanuit Nederland niet mogelijk is, heeft eiseres niet onderbouwd. Daarnaast kan niet op voorhand worden gezegd dat de minister een eventuele overlijdensakte als vals terzijde zal schuiven, omdat dit zal afhangen van een documentonderzoek door Bureau Documenten.
De verklaringen van eiseres vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000)
9. Eiseres betoogt allereerst dat de minister haar niet mocht tegenwerpen dat zij wisselend heeft verklaard over haar werk in het ziekenhuis. Eiseres was nog niet officieel in dienst toen zij begon met werken. Daarom had zij nog geen toegangspasje, maar alleen een toegangspapiertje. Voor zover de minister de verklaringen hierover wisselend vond, had hij daar – mede gelet op het referentiekader van eiseres – over moeten doorvragen. [6] Verder mag de minister niet tegenwerpen dat eiseres de naam van haar leidinggevende niet wist, omdat de wijze van indiensttreding in Somalië anders verloopt dan in Nederland. De minister heeft ook niet onderbouwd waaruit zou blijken dat eiseres de naam van haar leidinggevende moet weten.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat niet geloofwaardig is dat eiseres in het ziekenhuis heeft gewerkt. In de eerste plaats werpt de minister terecht aan eiseres tegen dat zij wisselend heeft verklaard over de toegang tot haar werk in het ziekenhuis. Eiseres heeft immers eerst verklaard dat zij nooit een document of papier van haar werk had gekregen, [7] en later verklaard dat zij een toegangspapiertje met stempel en handtekening had. [8] Met de stelling dat eiseres nog niet officieel in dienst was van het ziekenhuis, legt zij niet uit waarom haar verklaringen van elkaar verschillen. Maar de minister had eiseres tijdens het nader gehoor wel met deze wisselende verklaring moeten confronteren. Dat heeft de minister niet gedaan. Het valt echter niet in te zien waarom eiseres hierdoor in haar belangen is geschaad, omdat zij in de zienswijze en in beroep de gelegenheid heeft gehad om toe te lichten waarom zij wisselend heeft verklaard en van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. De rechtbank passeert dit gebrek daarom. [9]
9.1.1.
Verder stelt de minister zich niet ten onrechte op het standpunt dat het ongerijmd is dat eiseres de naam van haar leidinggevende niet kan noemen. Eiseres zat nog in haar proeftijd, zodat haar leidinggevende nog moest besluiten of zij in het ziekenhuis mocht blijven werken. Tegen de achtergrond hiervan valt niet in te zien waarom eiseres haar leidinggevende nooit heeft ontmoet in de twee weken die zij in het ziekenhuis heeft gewerkt, [10] en zijn of haar naam niet kan noemen. De enkele stelling dat de wijze van indiensttreding in Somalië anders loopt dan in Nederland kan daar – ook als dat zo zou zijn – niet aan afdoen. Het valt dan immers nog niet in te zien hoe de leidinggevende van eiseres zou kunnen besluiten tot voortzetting of beëindiging van het dienstverband in het ziekenhuis als deze nooit met eiseres kennis heeft gemaakt.
9.2.
Eiseres betoogt verder dat zij voldoende heeft verklaard over haar oom en de problemen met hem. Eiseres stelt allereerst dat zij voldoende heeft uitgelegd dat haar oom lid is van Al-Shabaab en hoe hij achter de contactinformatie van eiseres is gekomen. Dat zij niet expliciet heeft verklaard dat haar oom gebruik maakt van het informantennetwerk van Al-Shabaab, is niet van belang. Dat ligt immers al in haar verklaringen besloten en uit algemene landeninformatie blijkt dat Al-Shabaab – ook in gebieden die niet onder hun controle staan – van zijn informantennetwerk gebruik maakt om telefoongegevens te achterhalen. [11] Hoe de oom van eiseres
preciesachter haar telefoongegevens is gekomen, zal eiseres nooit kunnen achterhalen, al was het maar omdat Al-Shabaab geen eenduidige werkwijze heeft [12] en de manier waarop Al-Shabaab haar contactgegevens heeft ontdekt haar niet zal worden meegedeeld. Verder stelt eiseres dat zij voldoende heeft verklaard waarom haar oom uitgerekend voor haar heeft gekozen. Eiseres is door haar oom verzorgd nadat haar ouders zijn overleden (zodat hij overwicht meent te hebben) en bovendien ging eiseres werken in het ziekenhuis waar Al-Shabaab informanten nodig had. Omdat haar oom graag een leidinggevende functie binnen Al-Shabaab wilde bereiken, kon hij de hulp van eiseres goed gebruiken. Dat is, anders dan de minister stelt, geen aanname van eiseres. Eiseres betwist daarnaast dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe vaak zij contact met haar oom heeft gehad: eiseres is één keer gebeld over haar werk, en één keer met een doodsbedreiging. Eiseres maakt onderscheid tussen die twee gesprekken, zodat zij om die reden heeft verklaard één keer door haar oom te zijn gebeld. Voor zover de minister daar een tegenstrijdigheid in ziet, had hij eiseres daarmee moeten confronteren. [13] Tot slot kan niet aan eiseres worden tegengeworpen dat zij naar de bedreigingen van haar oom is doorgegaan met haar werk bij het ziekenhuis. Omdat haar oom lid was van Al-Shabaab, wist eiseres wel dat zij voorzichtig moest zijn (zodat zij enkele veiligheidsmaatregelen trof, die volgens haar volstonden), maar niet dat zij concreet gevaar liep.
9.2.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres onvoldoende heeft verklaard over haar oom en haar problemen met hem. Bij dit oordeel stelt de rechtbank voorop dat de minister – anders dan eiseres uitdrukkelijk heeft gesteld – niet geloofwaardig vindt dat haar oom lid is van Al-Shabaab. Dit blijkt immers niet met zoveel woorden uit het bestreden besluit. De minister werpt eiseres niet ten onrechte tegen dat zij niet kan vertellen welke functie haar oom binnen Al-Shabaab heeft en hoe hij haar contactinformatie heeft achterhaald. Het enkele feit dat Al-Shabaab een netwerk van informanten heeft, betekent nog niet dat de oom van eiseres van dat netwerk gebruik heeft gemaakt om de contactgegevens van eiseres te achterhalen.
9.2.2.
Verder werpt de minister niet ten onrechte tegen dat eiseres onvoldoende heeft uitgelegd waarom haar oom uitgerekend háár koos om als informant te gaan werken. Eiseres heeft verklaard dat Al-Shabaab een informant in het ziekenhuis nodig had om bij te houden wie het ziekenhuis binnenging en wie het ziekenhuis verliet. [14] Eiseres werkte als schoonmaakster echter op verschillende afdelingen in het ziekenhuis. [15] Het valt daarom – zelfs als daarbij betrokken wordt dat eiseres een gemakkelijk ‘doelwit’ voor haar oom is – niet in te zien waarom juist zij geschikt zou zijn om de in- en uitgang(en) van het ziekenhuis te monitoren en waarom juist zij voor die taak zou worden benaderd. De minister werpt eiseres ook terecht tegen dat zij tegenstrijdig heeft verklaard over hoe vaak zij contact heeft gehad met haar oom. Eiseres heeft tijdens het nader gehoor in eerste instantie verklaard dat zij twee keer door haar oom was benaderd: de eerste keer met het verzoek om informant te worden, en de tweede keer toen hij erachter was gekomen dat zij tegen hem had gelogen dat zij met haar werkzaamheden in het ziekenhuis was gestopt. [16] Later verklaart eiseres dat zij slechts één keer contact met haar oom heeft gehad. [17] Waarom eiseres tussen beide gesprekken onderscheid heeft gemaakt en welk onderscheid dat zou moeten zijn, heeft eiseres niet uitgelegd. Bovendien heeft de minister eiseres tijdens het nader gehoor – anders dan zij heeft gesteld – met dit verschil in verklaringen geconfronteerd. Aan eiseres is immers voorgehouden dat zij eerder in het gehoor had verklaard twee keer contact met haar oom te hebben gehad. [18]
9.2.3.
Tot slot werpt de minister niet ten onrechte aan eiseres tegen dat zij na de bedreigingen door haar oom met haar werkzaamheden in het ziekenhuis is doorgegaan. Eiseres heeft verklaard dat zij na de bedreigingen is ondergedoken en op andere tijden naar haar werk is gegaan, [19] zodat kan worden aangenomen dat eiseres enig risico zag. Waarom eiseres vervolgens wel met haar werkzaamheden in het ziekenhuis is doorgegaan – daar waar haar oom haar juist eenvoudig had kunnen vinden – en waarom zij daar geen concreet risico in zag, valt niet in te zien.
9.3.
Eiseres betoogt tot slot dat zij voldoende heeft verklaard over de dood van haar zus door Al-Shabaab. Nog daargelaten dat de verslaglegging van het nader gehoor op dit punt onduidelijk en onvolledig is, blijkt uit het bestreden besluit dat de minister eiseres volgt in haar verklaring dat zij door haar oom is gebeld met de mededeling dat hij haar zus heeft laten vermoorden. Omdat hierin besloten ligt dat Al-Shabaab haar zus heeft vermoord, valt niet in te zien waarom de minister dat niet geloofwaardig vindt. Daarnaast heeft een buurvrouw van eiseres haar geïnformeerd over de wijze waarop haar zus is vermoord, zodat het niet vreemd is dat zij hierover heeft kunnen verklaren. Verder mag niet aan eiseres worden tegengeworpen dat zij niet heeft kunnen verklaren over de begrafenis van haar zus. De dood van haar zus leidde bij eiseres tot acute angst en nood, waardoor zij moest vluchten. Eiseres wist dat de begrafenis van haar zus bij haar afwezigheid zou worden geregeld door buren, zodat dit voor haar bijzaak was. Gelet op haar overige (uitgebreide) verklaringen kan daarom niet worden gezegd dat zij over de dood van haar zus onvoldoende heeft verklaard.
9.3.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiseres onvoldoende heeft verklaard over de dood van haar zus. Rond de dood van de zus van eiseres heeft de minister in het voornemen in eerste instantie twee zaken tegengeworpen: dat eiseres slechts van derden zou hebben gehoord dat haar zus is gedood en dat eiseres weinig kan verklaren over de begrafenis van haar zus. [20] Naar aanleiding van de zienswijze is de minister op deze eerste tegenwerping teruggekomen, omdat eiseres ook heeft verklaard te zijn benaderd door haar oom met de mededeling dat haar zus (in opdracht van hem) is vermoord. [21] De minister heeft daarbij echter gemotiveerd dat hij desondanks niet geloofwaardig vindt dat de zus van eiseres is vermoord door Al-Shabaab, omdat eiseres nog altijd weinig kan verklaren over de begrafenis van haar zus. De rechtbank kan de minister in die motivering volgen. De rechtbank begrijpt deze tegenwerping namelijk zo dat de minister opmerkelijk vindt dat eiseres wel details kan benoemen over hoe haar zus is vermoord (al dan niet omdat zij daarover is geïnformeerd door haar buurvrouw), maar dat zij over de daaropvolgende begrafenis van haar zus niets kan verklaren en dat zij daar niet naar heeft geïnformeerd. Gelet op het feit dat de moord op haar zus een impactvolle gebeurtenis was en ook de concrete aanleiding was om Somalië te verlaten, mocht de minister dat aan eiseres tegenwerpen. Dat eiseres de begrafenis zelf als ‘bijzaak’ zag, maakt dat niet anders. Met die stelling legt eiseres namelijk niet uit waarom zij na haar vlucht niet heeft geïnformeerd naar de begrafenis van haar zus door (bijvoorbeeld) contact op te nemen met de buurvrouw die haar ook over de moord van haar zus heeft ingelicht. Omdat eiseres expliciet heeft verklaard dat zij niets weet over de begrafenis van haar zus, [22] valt ook niet in te zien waarom eiseres zou zijn benadeeld door de gestelde (maar niet-onderbouwde) verslaglegging van het nader gehoor, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.
Conclusie over deze beroepsgrond
9.4.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de werkzaamheden van eiseres in het ziekenhuis en de problemen met haar oom ongeloofwaardig zijn.
Heeft eiseres bij terugkeer naar Somalië een gegronde vrees voor vervolging en/of loopt zij een reëel risico op ernstige schade?
10. Eiseres betoogt dat zij bij terugkeer naar Somalië een gegronde vrees voor vervolging heeft en/of een reëel risico op ernstig schade loopt. Gelet op de werkzaamheden van eiseres in het ziekenhuis en de problemen die zij daarna met haar oom heeft ondervonden behoort eiseres tot een groep Somaliërs over wie in het recentste rapport van het European Union Agency for Asylum (EUAA) wordt benoemd dat zij een risicoprofiel hebben. [23] Dat een deel van die problemen niet geloofwaardig zijn geacht, doet volgens eiseres niet ter zake. Voldoende is immers al dat zij door haar oom (en dus door Al-Shabaab) is benaderd om voor hen te werken en dat heeft geweigerd. [24]
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor onder 9.4 is overwogen, vindt de minister terecht ongeloofwaardig dat eiseres in het ziekenhuis heeft gewerkt en problemen met haar oom en Al-Shabaab heeft. Dat betekent (ook) dat ongeloofwaardig is dat eiseres door Al-Shabaab is benaderd, zodat zij – anders dan de vreemdeling in de door haar aangehaalde uitspraken van de zittingsplaatsen Utrecht en Haarlem van deze rechtbank – niet valt onder een van de risicoprofielen uit het aangehaalde rapport van het EUAA. Het is daarom niet aannemelijk dat eiseres om die reden gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Heeft de minister in het terugkeerbesluit een land van terugkeer vermeld?
11. Eiseres betoogt dat de minister in het terugkeerbesluit ten onrechte geen land van terugkeer heeft vermeld, zodat dit niet in stand kan blijven.
11.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hoewel eiseres er op zichzelf genomen terecht op wijst dat in het bestreden besluit niet uitdrukkelijk een land van terugkeer is vermeld, is in het voornemen wel een land van terugkeer (Somalië) vermeld. Omdat het voornemen onderdeel is van de motivering van het bestreden besluit en de minister in het bestreden besluit niet op dit deel van het voornemen is teruggekomen, ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat uit het bestreden besluit onvoldoende blijkt naar welk land eiseres moet terugkeren en dus geen reden voor het oordeel dat het terugkeerbesluit onvoldoende is gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar asielaanvraag in stand blijft.
12.1.
Omdat de rechtbank onder 9.1 een gebrek in het nader gehoor heeft vastgesteld, moet de minister wel de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 934). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613; Rb. Den Haag (zp Arnhem) 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.
3.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 10.
4.De minister wijst op de internetpagina ‘CRVS – Birth, Marriage and Death Registration in Somalia’ van UNICEF Data ([website]).
5.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 19.
6.Eiseres wijst op artikel 3.113, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
7.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 9.
8.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 10.
9.De rechtbank geeft daarbij toepassing aan artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
10.Vergelijk het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 10-11.
11.Eiseres wijst op de brief “Somalië – Infiltratie overheid en gebruik informanten door Al-Shabaab in Mogadishu” van VluchtelingenWerk Nederland van 15 september 2025 en het Algemeen ambtsbericht Somalië van juni 2023, p. 30.
12.Eiseres wijst op [persoon A], ‘Is de werkwijze van de Somalische Al-Shabaab eenduidig’,
13.Eiseres wijst op artikel 3.113, tweede lid, van het Vb 2000.
14.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 14.
15.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 7.
16.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 6.
17.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 16.
18.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 16.
19.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 16.
20.Zie het voornemen van 14 oktober 2025, p. 7.
21.Zie het bestreden besluit, p. 6.
22.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 oktober 2025, p. 19 en 21.
23.Eiseres wijst op het rapport ‘Country Guidance: Somalia’ van het EUAA van 2 oktober 2025. Eiseres wijst
24.Eiseres wijst op Rb. Den Haag (zp Utrecht) 18 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17093 en Rb. Den Haag (zp Haarlem) 2 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16635.