ECLI:NL:RBDHA:2026:686
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig nemen van besluit inzake gezinshereniging
In deze zaak hebben eiseressen beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister van Asiel en Migratie, als verweerder, geen verweerschrift heeft ingediend en heeft op basis van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak gedaan zonder zitting. Eiseressen hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht wegens betalingsonmacht, wat door de rechtbank voorlopig is toegewezen.
De aanvraag om gezinshereniging is ingediend op 5 januari 2024, en de minister had op grond van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen moeten beslissen. De beslistermijn is verlengd met drie maanden, waardoor de minister uiterlijk op 4 juli 2024 een besluit had moeten nemen. Aangezien dit niet is gebeurd, is de minister in gebreke gesteld op 10 juli 2024. Het beroep is op 13 augustus 2025 ingesteld, en de rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig is ingediend en kennelijk gegrond is.
De rechtbank legt de minister een termijn van acht weken op om een besluit bekend te maken, met een dwangsom van € 100 per dag voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, tot een maximum van € 15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van verbeurde bestuurlijke dwangsommen van € 1.442 aan eiseressen en tot betaling van proceskosten van € 467. De uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, en is openbaar gemaakt via geanonimiseerde publicatie.