Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende een tweede asielaanvraag in met het motief dat hij homoseksueel is en daardoor in Nigeria gevaar loopt. Hij voerde aan dat hij door identiteitsgroei beter kon verklaren over zijn seksuele geaardheid en overhandigde diverse documenten ter ondersteuning. De minister wees de aanvraag af omdat de verklaringen over identiteitsgroei en homoseksualiteit ongeloofwaardig werden bevonden.
De rechtbank bevestigde dat de minister de eerdere afwijzing van de eerste asielaanvraag, waarin de homoseksualiteit van eiser al als ongeloofwaardig werd beoordeeld, terecht zwaar liet meewegen. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende rekening had gehouden met het referentiekader van eiser en de externe uitingen van zijn seksuele geaardheid, maar dat de verklaringen oppervlakkig en onvoldoende samenhangend waren.
Ook het asielmotief mensenhandel werd door de minister als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege tegenstrijdigheden en gebrek aan objectief bewijs. De rechtbank vond dat de minister alle relevante aspecten van de geloofwaardigheid had betrokken en dat de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.