ECLI:NL:RBDHA:2026:6583
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Motiveringsgebrek minister bij afwijzing machtiging voorlopig verblijf humanitair niet-tijdelijk
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het verblijfsdoel humanitair niet-tijdelijk, welke door de minister is afgewezen. Na meerdere procedures en vernietigingen van eerdere besluiten door de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, is het bestreden besluit opnieuw aangevochten.
De rechtbank constateert dat de minister geen deugdelijke belangenafweging heeft gemaakt in het kader van artikel 8 EVRM Pro, met name ten aanzien van de vraag of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar in Nederland verblijvende dochter en zus. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze elementen ontbreken, ondanks langdurige samenwoning en financiële en emotionele afhankelijkheid.
De rechtbank benadrukt dat eerdere uitspraken kracht van gewijsde hebben en dat de minister gehouden is deze te volgen. De minister wordt daarom in de gelegenheid gesteld het motiveringsgebrek te herstellen door een nieuwe belangenafweging te maken, ongeacht of hij familie- of gezinsleven aanneemt.
Eiseres stelt dat zij sinds 2014 onafgebroken met haar dochter samenwoont en afhankelijk is van haar dochter en zus voor levensonderhoud en zorg, mede door haar kwetsbare gezondheid. De rechtbank vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze omstandigheden niet leiden tot beschermingswaardig familie- of gezinsleven.
De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en bepaalt een termijn voor de minister om het gebrek te herstellen. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens motiveringsgebrek en stelt de minister in de gelegenheid dit te herstellen.