De minister van Asiel en Migratie legde op 4 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 17 maart 2026.
Eiser voerde aan dat de minister zijn informatieplicht niet was nagekomen, onvoldoende had beoordeeld of zicht op uitzetting bestond, niet voortvarend had gehandeld en dat de voorbereiding van de maatregel onzorgvuldig was. De rechtbank oordeelde dat de minister de stukken tijdig had ingediend, op een laat ingediend nader gehoor na, die geen procesbelangenschade opleverde. Daarnaast is zicht op uitzetting geen vereiste voor de bewaring en heeft eiser onvoldoende concrete feiten aangevoerd om een uitzonderingspositie te onderbouwen.
De rechtbank vond dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld gezien de korte termijn tussen aanvraag en nader gehoor. Ook was het gehoor voorafgaand aan de bewaring relevant en toereikend toegespitst op de gronden van de maatregel. De rechtbank verwierp het betoog dat de maatregel onrechtmatig was vanwege onvoldoende motivering of onzorgvuldige voorbereiding.
De ambtshalve toetsing leverde geen aanwijzingen op dat de maatregel onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.