ECLI:NL:RBDHA:2026:6270
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op de aanvraag van een machtiging tot voorlopig verblijf voor eiseres 1 om bij eiseres 2 te verblijven. De aanvraag werd ingediend op 3 april 2024, waarna de minister de beslistermijn met drie maanden verlengde, waardoor uiterlijk 2 oktober 2024 een besluit had moeten worden genomen. Deze termijn is echter verstreken zonder besluit.
De rechtbank stelt vast dat de minister op 7 januari 2026 rechtsgeldig in gebreke is gesteld en dat het beroep op 11 februari 2026 tijdig is ingediend. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en legt op grond van de Algemene wet bestuursrecht een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseressen. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie voor de motivering van de termijn en het bijzondere karakter van de zaak.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen en legt een termijn en dwangsom op aan de minister.