ECLI:NL:RBDHA:2026:6241

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/3629
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.12 lid 2 APV Den HaagArt. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 7:13 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging last onder bestuursdwang wegens schending hoorplicht in bezwaar

Eiser kreeg een last onder bestuursdwang opgelegd voor een fietswrak nabij zijn woning. Na bezwaar verklaarde verweerder dit ongegrond en zag af van het horen van eiser, omdat deze niet tijdig had gereageerd op het verzoek om hoorkeuze.

Eiser stelde dat hij tijdig per aangetekende brief had aangegeven gehoord te willen worden, wat door track and trace werd bevestigd. Verweerder stelde dat een afspraak bestond dat post niet via een antwoordnummer mocht worden gestuurd, maar kon dit niet onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht was geschonden omdat de brief tijdig en correct was verzonden en ontvangen. Verweerder had het bezwaar ten onrechte ambtelijk afgedaan zonder advies van de Adviescommissie bezwaarschriften, maar dit was niet verplicht.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, gelastte hernieuwde besluitvorming na horen van eiser en veroordeelde verweerder in proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot last onder bestuursdwang is vernietigd wegens schending van de hoorplicht en verweerder moet opnieuw beslissen na horen van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3629

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van gemeente Den Haag, verweerder

(gemachtigden: N. de Haas en F. van Ommeren).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser vanwege een last onder bestuursdwang voor het op de weg laten staan van een fiets, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeert (fietswrak).
1.1
Bij het besluit van 28 november 2024 (primaire besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd aan een fietswrak tegenover de woning van eiser.
1.2
Met het bestreden besluit van 7 april 2025 (verzonden op 9 april 2025) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4
Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
1.5
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 28 april 2024 is door een toezichthouder van verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd aan een fietswrak in de openbare ruimte, nabij het woonadres van eiser op het [adres 1] . Eiser stelt dat hij de eigenaar of anderszins rechthebbende is van dit fietswrak en daarom ook belanghebbende is bij deze opgelegde last onder bestuursdwang. Er heeft geen handhaving plaatsgevonden naar aanleiding van de last onder bestuursdwang.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Eiser heeft op 28 november 2025 bezwaar gemaakt. Bij brief van 20 december 2024 heeft verweerder de tijdige ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd. In diezelfde brief heeft verweerder eiser gevraagd om binnen twee weken na ontvangst van de brief door te geven of eiser (telefonisch) gehoord wil worden of dat hij van dit recht om gehoord te worden afziet. Tevens is verzocht om verhinderdata door te geven. In deze brief is ook medegedeeld dat als eiser niet reageert binnen 2 weken, verweerder ervan uit gaat dat er wordt afgezien van het recht om gehoord te worden.
3.1
Eiser heeft bij brief, gedateerd op 30 december 2024, aangegeven dat hij gehoord wenst te worden. Deze brief is door eiser, blijkens de verzendbevestiging en het ‘track and trace’ document van PostNL op 30 december 2024, aangetekend ter postbezorging aangeboden aan het adres:
Gemeente Den Haag, [adres 2] .
Uit het ‘track and trace’ document blijkt dat de brief op 31 december 2024 op het volgende adres is afgeleverd:
Gemeente Den Haag, [adres 3].
3.2
Bij het bestreden besluit heeft verweerder op het bezwaar van eiser beslist. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d van de Awb is van horen in bezwaar afgezien, omdat eiser niet binnen de door verweerder gestelde redelijke termijn verklaard heeft dat hij gehoord wil worden. De inhoudelijke bezwaargronden van eiser tegen het primaire besluit slagen niet. Verweerder heeft het bezwaar daarom ongegrond verklaard.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
4. Eiser voert in zijn beroepsgronden aan dat verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden heeft. Eiser stelt dat hij met zijn brief van 30 december 2024 wel degelijk tijdig en expliciet heeft medegedeeld dat hij gehoord wenst te worden over zijn bezwaar. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in beroep de verzendbevestiging en het ‘track and trace’-document meegestuurd. Eiser heeft zijn brief tijdig ter post bezorgd en gericht aan het antwoordnummer dat gekoppeld is aan het adres dat in de brief van 30 december 2024 genoemd is, namelijk [adres 3] . Ook vindt eiser dat verweerder het bezwaar ten onrechte ambtelijk heeft afgedaan en het bezwaar ten onrechte niet voor advies heeft voorgelegd aan de Adviescommissie bezwaarschriften (Acb). Eiser vindt dat om deze redenen het beroep gegrond verklaard dient te worden, dat hij alsnog gehoord moet worden op zijn bezwaar en dat verweerder binnen zes weken na de uitspraak van de rechtbank opnieuw op het bezwaar van eiser moet beslissen.
5. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Partijen twisten in dit beroep in de kern alleen over de hoorplicht in bezwaar zoals die volgt uit artikel 7:2 van Pro de Awb.
Adviescommissie bezwaarschriften
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om het bezwaarschrift van eiser aan de Acb voor te leggen. Er is namelijk geen rechtsregel die verweerder hiertoe verplicht. Artikel 7:13 van Pro de Awb geeft verweerder namelijk de bevoegdheid, niet de plicht om bezwaren ter advies aan een adviescommissie voor te leggen. Verweerder heeft voor deze bevoegdheid beleidsruimte, die voor rechtszoekenden kenbaar is ingekaderd met beleid en regelgeving. Zo volgt uit artikel 17 van Pro de Regeling behandeling bezwaarschriften [1] dat verweerder categorieën bezwaarschriften kan aanwijzen waarbij afgezien wordt van advies en horen door de Acb en enkel ambtelijk horen geschiedt. In artikel 1, sub g, van het Aanwijzingsbesluit ambtelijk horen 2024 [2] is vervolgens bepaald dat het primaire besluit in deze zaak een dergelijke categorie betreft. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorkeuze
8. De rechtbank stelt vast dat uit de brief van verweerder van 20 december 2024 volgt dat eiser verzocht is kenbaar te maken of en hoe hij gehoord wenst te worden. In deze brief is vermeld dat verweerder graag heeft dat de hoorkeuze per e-mail wordt doorgegeven en dat vanuit verweerder ook de wens bestaat om de verdere communicatie via e-mail te laten plaatsvinden, om deze zo snel en betrouwbaar mogelijk te maken. Uit deze brief blijkt ook dat, indien een reactie van eiser uitblijft over verder communicatie per e-mail, deze verder per reguliere post zal worden voortgezet. Ook is in deze brief kenbaar gemaakt dat indien niet binnen 2 weken wordt gereageerd, ervan uitgegaan wordt dat eiser wil afzien van het recht om gehoord te worden. Het postadres dat in deze brief staat vermeld luidt:
[adres 3] .
9. Op de zitting is door verweerder verklaard dat met eiser, die vaker correspondeert en procedeert met verweerder, de afspraak is gemaakt dat hij zijn post enkel direct aan [adres 3] mag richten, en niet via een antwoordnummer mag corresponderen. Verweerder heeft dit standpunt niet met stukken onderbouwd.
10. Bij aangetekende brief van 30 december 2024 heeft eiser aangegeven dat hij gehoord wil worden. Uit de ‘track and trace’ documenten blijkt dat de brief over de hoorkeuze tijdig is afgeleverd op het door verweerder opgegeven adres, [adres 3] . Hieruit volgt dat de reactie van eiser dat hij gehoord wenst te worden, tijdig ter post bij verweerder is bezorgd. In dat licht kan de conclusie van verweerder dat op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb van horen wordt afgezien, omdat eiser niet binnen een door verweerder gestelde redelijke termijn kenbaar heeft gemaakt heeft dat hij gehoord wil worden, geen stand houden. Dit is een gebrek in de besluitvorming.
11. Nu de door verweerder gestelde contactafspraak met eiser niet is onderbouwd en ter zitting ook niet duidelijk is geworden wat de ratio van deze afspraak is, nu het stuk, ongeacht de gekozen verzendwijze, bij [adres 3] zal belanden, ziet de rechtbank in geen aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren of anderszins aan finale geschilbeslechting te doen. Eiser heeft tijdig en in de kern via de juiste weg gesteld dat hij gehoord wenst te worden. Dat de brief van eiser desondanks pas na het nemen van het bestreden besluit bij de juiste afdeling van verweerder terecht komt, terwijl deze tijdig bij het in de brief van verweerder genoemde postadres is afgeleverd en gericht is aan de in de brief genoemde instantie, dient in dit geval voor rekening en risico van verweerder te komen.

Conclusies en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding voor finale geschilbeslechting en zal het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen, nadat hij eiser - conform zijn beleid - gehoord heeft over dit bezwaar.
13. Er bestaat in dit geval aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt het te vergoeden bedrag vast op € 18,- vanwege de door eiser gemaakte verletkosten. Eiser heeft het verzoek om vergoeding van de verletkosten mondeling ter zitting ingediend en heeft ter onderbouwing van de gemaakte uren en het uurtarief alleen verwezen naar eerdere rechtspraak, zonder hierbij de vindplaats te geven. Eiser heeft de gemaakte uren en het uurtarief niet verder geconcretiseerd. Daarom wordt - in lijn met vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [3] - voor de berekening van het bedrag uitgegaan worden van het huidige minimumbedrag van € 9,- [4] en - gelet op de beperkte omvang van de dossierstukken en het beroepschrift - een tijdbesteding van 2 uren.
14. Ook zal de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid van de Awb, gelasten om het griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op eiser, met inachtneming van deze uitspraak, te horen over zijn bezwaar en vervolgens een nieuw besluit op bezwaar te nemen binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 18,-;
  • draagt verweerder op het griffierecht van € 194,- te vergoeden aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak ziet u hierboven met een stempel vermeld. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie deze link:
2.Zie deze link:
3.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9511, en die van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2802.
4.Zoals volgt uit Besluit proceskosten bestuursrecht 2026, artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e.