ECLI:NL:RBDHA:2026:6229
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor zijn familieleden in het kader van nareis. De minister van Asiel en Migratie heeft niet binnen de wettelijke termijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, een besluit genomen. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken zonder besluit en dat het beroep tijdig is ingesteld na een rechtsgeldige ingebrekestelling.
De rechtbank oordeelt dat in zaken omtrent gezinshereniging bij houders van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval, waardoor een langere beslistermijn kan worden opgelegd dan de standaard twee weken. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Verder bepaalt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor het overschrijden van deze termijn, maar wijst het verzoek tot vaststelling van een reeds verbeurde dwangsom af vanwege gewijzigde wetgeving. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €467.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen en legt een termijn en dwangsom op aan de minister.