ECLI:NL:RBDHA:2026:613

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL26.411
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Eerste beroep vreemdelingenbewaring met betrekking tot verblijf in politiecel en grondslag ophouding

Op 15 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende een eerste beroep tegen een maatregel van vreemdelingenbewaring. De eiser, een Tunesische man, had beroep ingesteld tegen een besluit van de minister van Asiel en Migratie, dat op 30 december 2025 was genomen. In dit besluit werd de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 14 januari 2026, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de eiser minder dan 24 uur in een politiecel heeft verbleven voordat hij naar het detentiecentrum werd gebracht, wat niet als te lang werd beschouwd.

De rechtbank heeft verder overwogen dat de ophouding van de eiser op de juiste grondslag heeft plaatsgevonden, omdat hij geen identificerend document had. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de maatregel van bewaring correct aan de eiser is bekendgemaakt, en dat er voldoende gronden waren voor de maatregel, waaronder het risico op onderduiken. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt en er is een mogelijkheid tot hoger beroep binnen een week na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.411

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1998 en de Tunesische nationaliteit te hebben.
Verblijf in politiecel
2. Eiser verzoekt de rechtbank om te toetsen of hij te lang heeft verbleven in een politiecel voordat hij naar het detentiecentrum is gebracht.
3. De bewaringsmaatregel is opgelegd op 30 december 2025 om 15:32 uur. Uit het dossierstuk genaamd ‘HV21 formulier bijzonderheden zaak’ van 31 december 2025 blijkt dat eiser die dag om 11:50 uur is opgehaald uit het politiebureau voor transport naar het detentiecentrum. Dit betekent dat eisers verblijf in de politiecel minder dan 24 uur heeft geduurd, en dus niet te lang was. [2]

Grondslag ophouding

4. Eiser voert aan dat de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Nu eisers personalia reeds waren vastgesteld, had eiser op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw moeten worden opgehouden.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de ophouding gebaseerd op artikel 50, tweede lid, van de Vw. Eiser had immers geen identificerend document of andere documenten waaruit zijn identiteit bleek. In zoverre kon zijn identiteit ook niet onmiddellijk worden vastgesteld. Voor zover eiser wijst op zijn personalia die in het kader van zijn strafrechtelijke aanhouding zijn verkregen, wordt overwogen dat bij de ophouding de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling tot uitgangspunt mogen worden genomen. Maar uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat als een vreemdeling in zo’n geval niet beschikt over een identiteitsdocument verweerder artikel 50, tweede lid, van de Vw mag toepassen. [3] Eiser is dan ook op de juiste grondslag opgehouden.
Bekendmaking maatregel van bewaring
6. Eiser verzoekt de rechtbank om te toetsen of de maatregel op de juiste wijze aan hem bekend is gemaakt met behulp van een tolk in een taal die hij begrijpt.
7. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat een afschrift van de maatregel onmiddellijk aan eiser is uitgereikt en dat daarbij ook een informatiebrief is uitgereikt in een taal die eiser voldoende machtig is, namelijk de Arabische (Tunesisch) taal. Deze informatiefolder zit ook in het dossier. Niet is gebleken dat sprake is van een gebrek.
Vermelding Dublinland in maatregel van bewaring
8. Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring geen lidstaat is vermeld waaraan hij in het kader van de Dublinverordening zal worden overgedragen en dat daarom sprake is van een gebrek.
9. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Bij een maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw moet sprake zijn van een concreet aanknopingspunt dat de vreemdeling op grond van de Dublinverordening aan een lidstaat van de Europese Unie zal kunnen worden overgedragen. Verweerder heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat hiervan sprake is door te verwijzen naar drie Eurodac-hits. Deze Eurodac-hits hebben de landcodes AT (Oostenrijk) en FI (Finland). Daarmee heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat sprake is van een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening.
Maatregel van bewaring
10. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zal onderduiken. Verweerder heeft als zware gronden [4] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden [5] vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
11. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
12. Wat eiser heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De zware grond 3a is feitelijk juist, nu eiser Nederland is ingereisd zonder in het bezit te zijn van een geldig reisdocument. De stelling van eiser dat hem als asielzoeker niet kan worden verweten dat hij geen paspoort heeft, doet aan deze feitelijke juistheid niet af. Ook zware grond 3b is feitelijk juist, nu eiser volgens zijn eigen verklaringen ongeveer twee maanden in Nederland heeft verbleven zonder zich te melden bij de korpschef. Dat eiser stelt dat hij zich echter wel wilde melden om een asielaanvraag in te dienen, maakt dit niet anders. Zware gronden 3a en 3b zijn reeds voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Hieruit volgt een significant risico op onderduiken. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.
Lichter middel
13. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast.
14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het significante risico op onderduiken te ondervangen. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Voortvarend handelen
15. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Er vertrekken dagelijks vluchten naar Oostenrijk, maar eiser wacht desondanks al lang op zijn overdracht.
16. Ook hierin wordt eiser niet gevolgd. Verweerder heeft toegelicht dat op 2 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en een Dublinclaim is verstuurd naar de Oostenrijkse autoriteiten. Op 5 januari 2026 heeft verweerder een claimakkoord ontvangen en op diezelfde dag is een overdrachtsbesluit genomen. Verder heeft verweerder ter zitting toegelicht dat hij op 9 januari 2026, de dag nadat eiser zijn rechtsmiddelen tegen het overdrachtsbesluit heeft ingetrokken, een vlucht heeft aangevraagd voor eiser. In verband met een aankondigingstermijn van zeven werkdagen is de overdracht van eiser gepland op 20 januari 2026. Hieruit blijkt dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser.
Ambtshalve toets
17. Ook met in achtneming van de ambtshalve toets is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
18. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 15 januari 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:245 en ECLI:NL:RVS:2025:219.
3.Onder meer de uitspraak van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134.
4.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
5.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.