AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vreemdeling krijgt schadeloosstelling wegens overschrijding maximale duur politiecel na inbewaringstelling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 19 oktober 2023 in bewaring en plaatste hem in een politiecel. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat de vreemdeling op 19 oktober 2023 om 18.15 uur in bewaring werd gesteld en de politiecel pas op 20 oktober 2023 om 20.15 uur verliet, waardoor de maximale toegestane duur van 24 uur met twee uur werd overschreden. Dit was in strijd met de toepasselijke regelgeving omtrent tijdelijke plaatsing in een politiecel na inbewaringstelling.
Hoewel de bewaring inmiddels was opgeheven, oordeelde de Afdeling dat de vreemdeling aanspraak maakt op een schadeloosstelling van €30 conform artikel 5, vijfde lid, van het EVRM. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond voor zover het de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring betrof, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond wegens overschrijding van de maximale duur in de politiecel en kent een schadeloosstelling van €30 toe.
Uitspraak
202306996/1/V3.
Datum uitspraak: 27 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 8 november 2023 in zaak nr. NL23.33976 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 8 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Palanciyan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Op verzoek van de Afdeling heeft de staatssecretaris nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat tijdelijke plaatsing in een politiecel na inbewaringstelling niet langer dan 24 uur mag duren. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 28 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2181, onder 3-4. Uit het dossier blijkt dat de vreemdeling op 19 oktober 2023 om 18.15 uur in bewaring is gesteld en in een politiecel is geplaatst. Ook blijkt uit het dossier dat hij de politiecel op 20 oktober 2023 om 20.15 uur heeft verlaten. De termijn van 24 uur is dus met twee uur overschreden. Omdat de maatregel van bewaring reeds is opgeheven, kan een bevel tot wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 achterwege blijven. Voor het nadeel dat de vreemdeling heeft geleden door zijn te lange verblijf in de politiecel, heeft hij aanspraak op € 30,00 aan schadeloosstelling als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het EVRM. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219, onder 1-2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling zal het beroep van de vreemdeling, voor zover gericht tegen de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, alsnog gegrond verklaren. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep voor het overige ongegrond. Er is geen grond voor schadevergoeding als bedoeld in artikel 106 vanPro de Vw 2000. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 8 november 2023 in zaak nr. NL23.33976;
III. verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring, gegrond;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Asiel en Migratie) om aan de vreemdeling bij wijze van schadeloosstelling € 30,00 te betalen;
V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
VII. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.