ECLI:NL:RBDHA:2026:6040

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12954 en NL26.13115
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 66a Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen inreisverbod en maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 7 maart 2026 aan eiser een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring op. Eiser stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn zakelijke belangen en dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen. Tevens voerde hij aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.

De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had doorgevraagd naar de persoonlijke en zakelijke omstandigheden van eiser en dat deze belangen niet zodanig waren onderbouwd dat het inreisverbod verkort of opgeheven moest worden. De minister mocht bovendien afzien van een lichter middel vanwege het risico op onttrekking aan toezicht.

Daarnaast stelde eiser dat de rechtmatigheid van de controle door de vreemdelingenpolitie niet kon worden vastgesteld, maar de rechtbank stelde vast dat dit niet ter beoordeling stond in deze procedure. De beroepen werden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het inreisverbod en de maatregel van bewaring ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.12954 en NL26.13115

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. B. Snoeij),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2026 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 maart 2026 gevoegd op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn via beeldverbinding verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Het inreisverbod (bestreden besluit 1, NL26.13115)
Had de minister van het opleggen van een inreisverbod moeten afzien?
1. Eiser betoogt dat de minister van het opleggen van het inreisverbod had moeten afzien dan wel de duur daarvan had moeten verkorten, omdat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens eiser is tijdens het gehoor van 7 maart 2026 onvoldoende doorgevraagd naar zijn persoonlijke omstandigheden, in het bijzonder zijn zakelijke belangen als vennoot in een bakkerij. Ook is volgens eiser onvoldoende rekening gehouden met deze belangen. Eiser voert aan dat nader had moeten worden gevraagd naar de omvang van zijn belangen, de investeringen, en de wijze waarop afspraken en betalingen moeten worden afgewikkeld. Volgens eiser is daarvoor persoonlijk contact nodig en kan dit niet op afstand plaatsvinden. Daarnaast stelt eiser dat niet is gemotiveerd waarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd.
1.1.
Ter zitting heeft de minister zich primair op het standpunt gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat in de aankondiging van de bewaringszitting van de rechtbank van 12 maart 2026 is vermeld dat de gronden uiterlijk vrijdag vóór de zitting moesten worden ingediend en dit niet (tijdig) is gebeurd. De rechtbank gaat hieraan voorbij en betrekt deze stelling niet bij de beoordeling. In de aankondiging van de bewaringszitting heeft de rechtbank immers geen gevolg verbonden aan het niet-tijdig indienen van de gronden.
1.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het inreisverbod en dat voldoende rekening is gehouden met de situatie van eiser. Uit het proces-verbaal van gehoor van 7 maart 2026 voorafgaand de oplegging van het inreisverbod blijkt dat de zakelijke belangen van eiser zijn uitgevraagd. Zo is gevraagd of hij zakelijke belangen heeft in Nederland en heeft eiser hierover verklaard. Deze verklaringen zijn vervolgens betrokken bij de besluitvorming. De minister heeft hiermee voldoende doorgevraagd. Dat niet verder is ingegaan op de omvang van de belangen, investeringen en de afwikkeling daarvan, maakt dit niet anders. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat deze belangen zijn opgebouwd tijdens onrechtmatig verblijf en dat eiser deze ook op afstand vanuit Turkije kan regelen. Eisers stelling dat dit niet mogelijk is en persoonlijk contact noodzakelijk is, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft immers niet concreet gemaakt waarom hij bepaalde investeringen, betalingen en afspraken niet op afstand kan doen. Gelet hierop stelt de minister zich terecht op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om op grond van eisers zakelijke belangen van het opleggen van het inreisverbod af te zien. Deze beroepsgrond slaagt niet.
1.3.
Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 – voor zover van belang – vaardigt de minister een inreisverbod uit tegen de vreemdeling die niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn Nederland heeft verlaten, in welk geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd. Als de vreemdeling bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd en onderbouwd kan van een inreisverbod worden afgezien of een kortere termijn worden opgelegd. Zoals onder 1.2 is overwogen, is niet gebleken van, dan wel heeft eiser onvoldoende onderbouwd dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, zodat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat geen aanleiding bestaat om de duur van het inreisverbod te verkorten of van een inreisverbod af te zien. Deze beroepsgrond slaagt niet.
De maatregel van bewaring (bestreden besluit 2, NL26.12954)
Voortraject
2. Eiser betoogt dat uit het dossier onvoldoende duidelijk blijkt op welke wijze hij met de vreemdelingenpolitie in aanraking is gekomen. Anders dan uit het proces-verbaal van staandehouding van 7 maart 2026, waarin slechts staat vermeld dat sprake was van een controle op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), volgt volgens eiser niet hoe deze controle heeft plaatsgevonden en wat de aanleiding daarvoor was. Eiser stelt dat daardoor de rechtmatigheid van het vreemdelingrechtelijk optreden niet kan worden vastgesteld.
2.1.
Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt voldoende dat eiser in de macht is gekomen van de vreemdelingenpolitie naar aanleiding van controle op grond van de Wav die is uitgevoerd door de Nederlandse Arbeidsinspectie. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de rechtmatigheid van de Wav-controle niet ter beoordeling staat van de bewaringsrechter. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), is het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. [1] Een controle in het kader van de Wav betreft een feitelijke handeling, zodat de aanleiding en uitvoering daarvan in deze procedure niet ter toetsing voorligt. De rechtbank betrekt deze omstandigheden dan ook niet bij de beoordeling. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft verklaard dat hij een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige en dat hij een woonadres in [plaats] heeft. Er had volgens eiser met een lichter middel kunnen worden volstaan zodat hij zijn zakelijke belangen kon afwikkelen in Nederland. Er is ook geen reden om aan te nemen dat hij zich niet aan eventuele voorwaarden zou houden zodat onterecht geen lichter middel is toegepast.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De minister heeft in de maatregel terecht gewezen op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en waaruit het risico op onttrekking aan het toezicht volgt. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet tot een ander oordeel leiden. Voor zover eiser stelt dat hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige heeft gedaan, geldt dat deze is afgewezen en dat aan eiser bij besluit van 22 augustus 2024 een terugkeerbesluit is opgelegd, zodat hij Nederland had moeten verlaten wat hij niet heeft gedaan. Uit zijn verklaringen blijkt dat hij hiermee bekend was. Ten aanzien van het gestelde woonadres in [plaats] stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser tijdens het gehoor van 7 maart 2026 heeft verklaard geen woonadres te hebben en dat hij niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen. [2] Wat betreft de zakelijke belangen stelt de minister zich terecht op het standpunt dat deze zijn betrokken bij de besluitvorming, maar dat deze, gelet op het vastgestelde risico op onttrekking, niet maken dat een lichter middel aangewezen was. Gelet hierop heeft de minister terecht afgezien van het toepassen van een lichter middel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 26 juli 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AD6144, onder 2.2, ABRvS 8 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7501, onder 2.3.3 en ABRvS 23 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:758, onder 3.3.
2.Zie pagina 4 van M110 Proces-verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.