ECLI:NL:RVS:2024:758
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.J. Borman
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over rechtmatigheid bewaring vreemdeling wegens onvoldoende vermoeden illegaal verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 16 november 2023 in bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling werd staande gehouden na een controle op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank Den Haag oordeelde op 4 december 2023 dat het redelijk vermoeden van illegaal verblijf ontbrak en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het redelijk vermoeden van illegaal verblijf niet had erkend. Het proces-verbaal van staandehouding gaf voldoende inzicht dat de vreemdeling geen identiteitsdocument kon tonen tijdens een Wav-controle, wat objectief een redelijk vermoeden van illegaal verblijf oplevert.
Verder stelde de Afdeling dat de rechtbank ten onrechte omstandigheden beoordeelde die de aanleiding vormden voor de Wav-controle, terwijl dit niet tot het oordeel van de rechter behoort. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en wees het beroep van de vreemdeling ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het beroep van de vreemdeling ongegrond en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.