ECLI:NL:RBDHA:2026:5686

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL25.11820 en NL24.43898
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen afwijzing aanvraag uitstel uitzetting op medische gronden

Eiser, een vreemdeling van Nigeriaanse nationaliteit, verzocht op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 om uitstel van zijn uitzetting vanwege medische redenen. Verweerder wees dit verzoek af op basis van een BMA-advies waarin werd geconcludeerd dat eiser medisch in staat is te reizen en geen reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro.

Eiser voerde aan dat het BMA-advies onvoldoende inzichtelijk was en dat zijn medische situatie, waaronder hypertensie en PTSS, een reëel risico op ernstige gezondheidsachteruitgang oplevert. Hij overlegde een BMA-advies van een andere vreemdeling en een brief van zijn huisarts ter onderbouwing. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concrete aanknopingspunten had aangevoerd om aan de juistheid van het BMA-advies te twijfelen.

Daarnaast stelde eiser dat het terugkeerbesluit van 2 augustus 2018 niet geldig was en dat verweerder de hoorplicht had geschonden door hem niet te horen in de bezwaarfase. De rechtbank stelde vast dat het terugkeerbesluit in rechte vaststaat en dat er geen reden was om te twijfelen aan de hoorplicht.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om een voorlopige voorziening af en kende geen proceskostenvergoeding toe.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om uitstel van uitzetting op medische gronden wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.11820 (beroep)
NL24.43898 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1980, van Nigeriaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. L.M. Straver),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. K.J. Wouda).

Inleiding

1. Met het terugkeerbesluit van 2 augustus 2018 heeft verweerder aan eiser laten weten dat hij Nederland binnen vier weken moest verlaten. Dit besluit staat in rechte vast.
2. Met het primaire besluit van 7 november 2024 heeft verweerder eisers aanvraag om met toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist.
2.1.
Met het bestreden besluit van 13 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het eerder ingediende verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar is op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Awb [1] gelijkgesteld met een verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.3.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser heeft op 9 oktober 2024 een aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw ingediend.
3.1.
Met het primaire besluit heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen. Uit het BMA [2] -advies van 6 november 2024 blijkt namelijk dat eiser in staat is om te reizen en dat geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM [3] om medische redenen.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Omdat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond is, is afgezien van het horen van eiser in de bezwaarfase.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijstelling griffierecht
4. Eiser heeft het verzoek gedaan om van de betaling van griffierecht te worden vrijgesteld. De rechtbank heeft dit verzoek voorlopig toegewezen. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling. Het verzoek om vrijstelling van het griffierecht wordt daarom definitief toegewezen.
Beoordeling van het beroep
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers aanvraag om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw terecht heeft afgewezen. De rechtbank doet dit aan de hand van de beroepsgronden.
Toetsingskader
6. Uit artikel 64 van Pro de Vw volgt dat uitzetting achterwege blijft zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen.
7. Op grond van de Vreemdelingencirculaire 2000, onder A3/7.1 wordt uitstel van vertrek verleend als (a) de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen, of (b) er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM Pro om medische redenen.
8. Uitgangspunt is dat niet alleen sprake kan zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden waardoor een uitzetting leidt tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte en door die uitzetting komt te verkeren in een situatie die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt, maar dat uit punt 183 van het arrest Paposhvili [4] volgt dat hiervan ook in andere zeer uitzonderlijke omstandigheden sprake kan zijn. Dit indien gewichtige redenen zijn aangevoerd om aan te nemen dat een ernstig zieke vreemdeling, al is deze niet stervende, bij uitzetting een reëel risico loopt op een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in zijn gezondheid, resulterend in een intens lijden of een significante vermindering van de levensverwachting door de afwezigheid van adequate behandeling in het land van herkomst of gebrek aan toegang tot een dergelijke behandeling. [5] Het is daarbij aan de vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheid een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM loopt. [6]
9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat een BMA-advies een deskundigenadvies is. [7] Verweerder moet, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van vergewissen dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Dit noemt men de zogenaamde vergewisplicht. Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij zijn beoordeling in beginsel van de juistheid van dit advies uitgaan. Eiser kan de zorgvuldigheid, inzichtelijkheid en concludentie van het BMA-advies aan de orde stellen en concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud van dat advies.
Heeft verweerder aan zijn vergewisplicht voldaan?
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat het BMA-advies niet voldoende inzichtelijk is. Het is onduidelijk waarom het uitblijven van een medische behandeling ten aanzien van eisers hypertensie niet tot een medische noodsituatie zou leiden. In dat verband heeft eiser een BMA-advies overgelegd dat ziet op een andere vreemdeling. Hierin staat: “betrokkene is bekend met hypertensie zonder secundaire orgaanschade. De hypertensie is echter met gebruik van drie middelen gereguleerd. Door het staken van deze middelen zal de bloeddruk gaan stijgen, waardoor het risico op het ontstaan van secundaire orgaanschade zal toenemen. Hypertensie is een risicofactor voor het ontwikkelen van hart- en vaatziekten, zoals een hart- en/of herseninfarct. Dit kan leiden tot ernstige schade aan het hart en/of de hersenen met mogelijk overlijden tot gevolg. Bovendien is er sprake van co-morbiditeit met diabetes, waardoor de kans op het ontwikkelen van dergelijke complicaties wordt vergroot. […] Bij het uitblijven van de onder 2. genoemde behandelingen voor de diabetes en de hypertensie verwacht ik wel een medische noodsituatie binnen deze termijn.” Volgens eiser is in zijn geval sprake van een vergelijkbare medische situatie.
10.1.
De gemachtigde van eiser heeft op de zitting een stuk van eisers huisarts van 12 februari 2026 overgelegd waarin staat dat eiser twee medicijnen gebruikt (Amlodipine 10 mg en Losartan 10 mg) en dat de bloeddruk hiermee voldoende is gereguleerd. Er staat verder: “Na plotselinge staking van de medicatie bestaat de kans op een rebound-effect: een plotselinge bloeddrukstijging. De schade hiervan bouwt zich over een langere periode op. Door 6 maanden geen medicatie te slikken, is de bloeddruk waarschijnlijk onvoldoende onder controle. Dit verhoogt aanzienlijk de kans op een hartinfarct, beroerte of hartfalen. Daarnaast veroorzaakt dit op de lange termijn schade aan de bloedvaten met als gevolg nierschade of schade aan de ogen.” Volgens eiser volgen er uit de overgelegde stukken concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van het BMA-advies.
10.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft onvoldoende concrete aanknopingspunten aangevoerd om te twijfelen aan de inhoud van het BMA-advies dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit. Dat in het door eiser overgelegde BMA-advies wordt geconcludeerd dat ten aanzien van de medische situatie van een andere vreemdeling met (hypertensie, diabetes, glaucoom, cataract) een noodsituatie zal ontstaan, betekent niet dat om die reden in het geval van eiser dezelfde conclusie kan worden getrokken. Zijn medische situatie (hypertensie en PTSS) is immers anders en in zijn geval wordt niet tot een medische noodsituatie geconcludeerd. Bij het opstellen van een BMA-advies wordt een individuele beoordeling gemaakt door een deskundige waarbij alle omstandigheden van het geval in samenhang worden bezien. Daarbij heeft verweerder op de zitting toegelicht dat eiser minder en andere medicatie krijgt voorgeschreven dan de vreemdeling in het overgelegde BMA-advies en dat eisers medische situatie op zijn eigen merites is beoordeeld. Ook uit het stuk van de huisarts volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat moet worden getwijfeld aan de inhoud van het BMA-advies dat ziet op eiser. Verweerder heeft het bestreden besluit om die reden terecht gebaseerd op de conclusie in het BMA-advies dat het uitblijven van een behandeling voor hypertensie en PTSS niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verweerder mag daarbij, anders dan eiser aanvoert, een indicatieve termijn van drie tot zes maanden als uitgangspunt nemen. Deze indicatieve termijn is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de rechtspraak van het EHRM, inclusief het door eiser aangevoerde arrest Medicinale cannabis. [8]
Heeft verweerder met het besluit van 2 augustus 2018 een geldig terugkeerbesluit uitgevaardigd?
11. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat er geen geldig terugkeerbesluit is uitgevaardigd door verweerder op 2 augustus 2018. Dit besluit voldoet namelijk niet aan alle voorwaarden die hiervoor gelden. Uit het besluit volgt weliswaar dat eiser binnen vier weken Nederland moet verlaten. Het moet echter duidelijk zijn dat eiser niet alleen Nederland, maar de hele Europese Unie moet verlaten. Ook ontbreekt het land van terugkeer. Eiser heeft in dit verband een brief met medische informatie van 12 december 2025 van de verpleegkundig specialist van Arq Centrum ’45 aan de huisarts van eiser overgelegd. Hieruit blijkt dat zijn klachten zijn verergerd en dat hij zowel akoestische als visuele hallucinaties heeft, terwijl in het BMA-advies alleen is uitgegaan van akoestische hallucinaties. Op grond van het arrest Medicinale cannabis en het Ararat-arrest [9] had verweerder volgens eiser een actuele beoordeling in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM moeten maken bij de handhaving van het terugkeerbesluit.
11.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Nog los van het feit dat de brief van de verpleegkundig specialist pas in beroep is overgelegd, ligt de geldigheid van het op 2 augustus 2018 uitgevaardigde terugkeerbesluit in deze procedure niet voor. Dit besluit staat immers in rechte vast. De rechtbank ziet overigens geen concrete aanknopingspunten dat eiser een reëel risico loopt op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?
12. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen in de bezwaarfase. Het horen van eiser is relevant om een actuele beoordeling te kunnen maken met betrekking tot het beginsel van non-refoulement en het recht op privéleven.
12.1.
Gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd en overgelegd was er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om eiser hierover te horen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
13.1.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiser, is er voor het treffen van de voorlopige voorziening geen aanleiding meer. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
13.2.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL25.11820:
- verklaart het beroep ongegrond;
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.43898:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Bureau Medische Advisering.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de Fundamentele vrijheden.
4.Het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 17 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:132, r.o. 3.1.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2046, r.o. 4.1.
7.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:826.
8.Het arrest van het HvJEU van 22 november 2022, C-69/21, EU:C:2022:913.
9.Het arrest van het HvJEU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.