ECLI:NL:RBDHA:2026:5467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL25.48402 en NL25.48403
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.118b Vb 2000Richtlijn 2013/32/EUArt. 14 lid 1 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank oordeelt dat minister asielzoeker ten onrechte niet opnieuw heeft gehoord en iMMO-rapport onvoldoende heeft betrokken

De asielzoeker, van Colombiaanse nationaliteit, diende meerdere asielaanvragen in, waarvan de laatste op 22 september 2021. Na eerdere afwijzingen en vernietigingen door de rechtbank en bevestigingen door de Afdeling bestuursrechtspraak, wees de minister op 30 september 2025 een nieuw besluit af als kennelijk ongegrond. De asielzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De rechtbank oordeelde dat het iMMO-rapport, dat posttraumatische klachten en fysieke littekens consistent met het asielrelaas vaststelt, een nieuw element vormt dat niet adequaat is betrokken in de beoordeling. De minister heeft de asielzoeker ten onrechte niet opnieuw gehoord, terwijl dit volgens het Vreemdelingenbesluit 2000 en jurisprudentie verplicht is bij inhoudelijke beoordeling van opvolgende aanvragen.

De rechtbank draagt de minister op om de asielzoeker alsnog te horen, rekening houdend met zijn medische beperkingen, en een nieuw of aanvullend besluit te nemen waarin het iMMO-rapport integraal wordt betrokken. De procedurele termijnen voor het vervolgproces zijn vastgesteld en verdere beslissingen worden aangehouden.

Uitkomst: De minister moet de asielzoeker opnieuw horen en het iMMO-rapport integraal betrekken in een nieuw besluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.48402 en NL25.48403
[V-Nummer]
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1996, van Colombiaanse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser),
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 12 maart 2020 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 25 maart 2020 vond het aanmeldgehoor plaats. Op 27 maart 2020 heeft het FMMU [1] een medisch advies uitgebracht. Op 18 mei 2020 vond het nader gehoor plaats. De aanvraag is met het besluit van 6 november 2020 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft dit beroep met de uitspraak van 11 december 2020 [2] ongegrond verklaard. Met het verstrijken van de termijn voor het instellen van hoger beroep, is deze uitspraak in rechte komen vast te staan.
1.3.
Op 22 september 2021 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met het besluit 16 maart 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.4.
Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft dit beroep met de uitspraak van 7 juli 2022 [3] gegrond verklaard. De minister [4] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
1.5.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft dit hoger beroep in de uitspraak van 2 november 2023 [5] ongegrond verklaard en de uitspraak van 7 juli 2022 bevestigd.
1.6.
Op 30 september 2025 heeft de minister een nieuw besluit (hierna: het bestreden besluit) genomen, waarin hij de aanvraag van eiser heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, dat ertoe strekt dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
1.7.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om de voorlopige voorziening op 26 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, D.P. Navarette als tolk in de taal Spaans en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Het asielrelaas

2. Eiser heeft aan zijn eerste asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in 2007 op tienjarige leeftijd met geweld is ontvoerd vanuit zijn ouderlijk huis en is gerekruteerd als kindsoldaat door de Colombiaanse guerrillabeweging [groep] [6] . Eiser is getuige geweest van martelingen en ander geweld tegen mensen. Eiser is zelf ook gemarteld. Op zestien-, zeventien- of achttienjarige leeftijd is eiser ontsnapt. Hij is daarna ondergedoken geweest in verschillende departementen van Colombia. Op 10 maart 2020 is eiser Colombia legaal uitgereisd.
3. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag een rapport van het iMMO [7] ten grondslag gelegd. Dit rapport betreft de uitkomst van een forensisch medisch onderzoek dat iMMO bij eiser heeft uitgevoerd. Het iMMO stelt zijn rapporten op aan de hand van een vaste vraagstelling, onderverdeeld in een A1-, een A2- en een B-vraag. De A1- en de A2-vraag gaan over medisch steunbewijs. Daarbij komt aan de orde in welke mate de lichamelijke dan wel de psychische problematiek van de betrokken vreemdeling kan zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas. De A1- en de A2-vraag zijn gebaseerd op het Istanbul Protocol en de daarin opgenomen gradaties, die variëren van ‘niet consistent’, ‘consistent’, ‘zeer consistent’, ‘typerend’ tot ‘kenmerkend’. Vraag B van een iMMO-rapport gaat over het vermogen van de betrokken vreemdeling om te verklaren. Daarin beantwoordt het iMMO de vraag of de lichamelijke en/of psychische klachten van die vreemdeling op het moment van de asielgehoren zijn vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, hebben beïnvloed.
3.1.
In het rapport concludeert het iMMO dat eiser posttraumatische klachten ervaart. Eiser rapporteert specifieke intrusieve herbelevingen en nachtmerries over de gestelde geweldservaringen met daarbij gepaard gaande hallucinaties, specifieke triggering,
vermijding en verhoogde waakzaamheid. Verder is bij eiser sprake van depressieve klachten, angstklachten, cognitieve problemen en gevoelens van schuld en een negatief zelfbeeld. Deze klachten komen naar voren vanuit de anamnese en worden verder onderbouwd vanuit het onderzoek van de psychische gezondheidstoestand en het psychodiagnostisch onderzoek. Bij lichamelijk onderzoek worden meerdere littekens gezien waarvan er van acht door eiser de oorzaak wordt beschreven. Hierbij schrijft hij zeven littekens toe aan het geweld, hem aangedaan als geronselde kindsoldaat door de guerrilla's. Bij de beantwoording van de vraagstelling concludeert het iMMO onder A1 dat de zeven littekens die volgens eiser worden aangemerkt als gevolgen van geweld dat hem als kindsoldaat is aangedaan, worden beoordeeld als consistent met het gestelde ondergane geweld. Onder A2 concludeert het iMMO dat de specifieke intrusieve herinneringen en nachtmerries en daarmee samenhangende hallucinaties die eiser noemt ten aanzien van de gestelde geweldservaringen bij de [groep] , de daarbij gepaard gaande geobserveerde lichamelijke spanningsklachten en emoties, de door eiser benoemde specifieke trigger ((de geur van) bloed), de vermijding van (seksuele) prikkels en de verhoogde waakzaamheid, vanwege de aard, inhoud en het verloop van de klachten en verschijnselen worden beoordeeld als typerend voor het gestelde ondergane geweld in het land van herkomst. Onder B concludeert het iMMO dat de geconstateerde psychische gezondheidstoestand van eiser ten tijde van de asielgehoren beperkingen zal hebben gegeven die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.

Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 7 juli 2022

4. De rechtbank heeft het besluit van 16 maart 2022 vernietigd met de volgende motivering:
‘Is sprake van een nieuw element en/of bevinding?

8. Eiser heeft bij zijn opvolgende aanvraag het iMMO-rapport overgelegd. Niet in geschil is dat dit rapport dateert van na het besluit in de eerste asielprocedure en niet eerder is beoordeeld. Er is daarom sprake van een nieuw element. Aan deze ontvankelijkheidseis is dan ook voldaan. Wel is uitdrukkelijk in geschil of de inhoud van het iMMO-rapport van dien aard is dat daardoor de kans dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming aanzienlijk groter is. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

9. In zijn uitspraken van 27 juni 201810 heeft de Afdeling, voor zover hier van belang, overwogen dat indien een vreemdeling een iMMO-rapport heeft ingebracht dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, verweerder de conclusie uit dit rapport bij zijn beoordeling moet betrekken. Indien in het iMMO-rapport op concludente en inzichtelijke wijze is gesteld dat de psychische problematiek van de vreemdeling ten tijde van de gehoren zeer waarschijnlijk of zeker interfereerde met zijn vermogen om consistent en coherent te verklaren, kan verweerder hieraan niet voorbij kan gaan zonder zelf een medisch deskundige te raadplegen. Daartoe is wel vereist dat uit het iMMO-rapport blijkt op welke wijze de mate van waarschijnlijkheid dat de vreemdeling niet in staat was consistent te verklaren, is vastgesteld. Als verweerder geen medisch deskundige inschakelt en de in het iMMO-rapport neergelegde conclusie aldus niet bestrijdt, maar het relaas toch ongeloofwaardig acht, zal hij nader moeten motiveren waarom dit volgens hem het geval is.

10. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet bestrijdt dat het iMMO-rapport over eiser op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Dit rapport moet daarom worden aangemerkt als deskundigenrapport. De rechtbank begrijpt het standpunt van verweerder in het bestreden besluit aldus dat de conclusies in het iMMO- rapport, daargelaten de inhoud daarvan, nimmer zullen kunnen afdoen aan de geloofwaardigheidsbeoordeling die verweerder in de eerste asielprocedure over het relaas van eiser heeft afgegeven, nu daarin al deugdelijk is gemotiveerd dat eiser ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd die de kern van zijn asielrelaas raken. Om die reden is het volgens verweerder niet nodig een medische deskundige te raadplegen - verweerder bestrijdt op zichzelf immers niet de conclusies van het iMMO - noch kan het rapport om die reden worden aangemerkt als een nieuw element en/of bevinding, waardoor voor verweerder ook geen noodzaak bestond om eiser opnieuw te horen.

11. De rechtbank volgt verweerder daarin niet. In het rapport komt iMMO na uitgebreid onderzoek tot de conclusie dat eisers lichamelijke en psychische problematiek consistent is met het gestelde geweldsrelaas. Zeven van de bij eiser aangetroffen littekens zijn beoordeeld als consistent met de gestelde toedracht, bestaande uit het op eiser uitgeoefende geweld door (leden van) de [groep] . Ook blijkt uit het rapport dat de psychische problemen die bij eiser zijn geconstateerd, te weten de specifieke intrusieve herinneringen en nachtmerries en daarmee samenhangende hallucinaties ten aanzien van de gestelde geweldservaringen bij de [groep] , de daarmee gepaard gaande geobserveerde lichamelijke spanningsklachten en emoties, de door eiser benoemde specifieke trigger ((de geur van) bloed), de vermijding van (seksuele) prikkels en de verhoogde waakzaamheid, qua aard en inhoud nadrukkelijk bij het gestelde ondergane geweld passen. Volgens het rapport zal de geconstateerde psychische gezondheidstoestand van betrokkene ten tijde van de gehoren door verweerder beperkingen hebben gegeven die zeker hebben geïnterfereerd met het compleet, coherent en consistent kunnen verklaren. Tegen die achtergrond is het standpunt van verweerder dat er hoe dan ook geen aanleiding is om terug te komen van de conclusie dat eisers relaas ongeloofwaardig is, gebrekkig gemotiveerd. Op grond van de inhoud van het iMMO-rapport kan immers niet worden uitgesloten dat, daar waar verweerder eerder heeft vastgesteld dat eiser niet naar behoren heeft verklaard, eiser tijdens de gehoren door zijn gezondheidssituatie werd belemmerd in het vermogen om wel compleet, consistent en coherent te verklaren. De enkele constatering dat de gebrekkige verklaringen van eiser betrekking hebben op de kern van zijn asielrelaas, leidt niet tot een ander oordeel. Uit het iMMO-rapport volgt immers dat de medische beperkingen van eiser met zekerheid in de weg hebben gestaan aan het vermogen om over zijn problemen te verklaren. De verklaringen die in verband staan met de kern van het asielrelaas zijn daarbij niet uitgezonderd. Voor zover verweerder een andere opvatting is toegedaan, is deze niet gebaseerd op de bevindingen van een door verweerder geraadpleegde deskundige, terwijl verweerder zelf de medische expertise ontbeert om de conclusies van iMMO gemotiveerd te kunnen bestrijden.

Conclusie
12. Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat het door eiser ingebrachte rapport geen enkele steun kan bieden aan het asielrelaas. Verweerder heeft daarom geen deugdelijk onderzoek verricht naar de vraag of het rapport de kans op inwilliging van het asielverzoek aanzienlijk groter maakt. Dit betekent dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe elementen en/of bevindingen die aanleiding geven voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. De aanvraag is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit zal om die reden worden vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder dient opnieuw op de aanvraag van eiser te beslissen. Hiertoe dient alsnog een nader onderzoek te worden verricht naar het door eiser ingebrachte rapport en de gevolgen daarvan voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser afgelegde verklaringen. Dit onderzoek kan plaatsvinden door eiser opnieuw (aanvullend) te horen of door hem in aanmerking te brengen voor een eigen forensisch medisch onderzoek, dan wel door een combinatie van beide. Nu met het door verweerder te verrichten onderzoek enige tijd zal zijn gemoeid, zal de rechtbank geen termijn verbinden aan de door verweerder te nemen beslissing.

Het bestreden besluit

5. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • Identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Het zijn van kindsoldaat bij de [groep] ;
  • De desertie van de [groep] en de negatieve aandacht van de [groep] .
5.1.
De minister acht het asielrelaas van eiser niet geloofwaardig. Dit is in de vorige procedure in rechte vast komen te staan. Er is geen reden om daar nu anders over te oordelen. Het door eiser in deze procedure overgelegde iMMO-rapport doet hier volgens de minister niet aan af. Wat betreft de conclusie van het iMMO dat de geconstateerde psychische gezondheidstoestand van eiser ten tijde van de asielgehoren beperkingen zal hebben gegeven die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren, stelt de minister zich op het standpunt dat het iMMO onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat de conclusie is gebaseerd op een op eiser specifiek toegespitste beoordeling van zijn vermogen om te verklaren. De minister verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. [8] Wat betreft de conclusie van het iMMO ten aanzien van het causale verband tussen de lichamelijke problematiek en de verklaringen van eiser, stelt de minister zich op het standpunt dat deze conclusie niet uitsluit dat aan de littekens en fysieke klachten ook andere oorzaken ten grondslag kunnen liggen. De inhoud van het iMMO-rapport geeft volgens de minister daarom geen aanleiding om het eerder ongeloofwaardig bevonden asielrelaas alsnog geloofwaardig te achten.

De beoordeling van de rechtbank

De omvang van het geding en het beoordelingskader
6. De rechtbank stelt als eerste vast dat de uitspraak van deze rechtbank van 7 juli 2022 kracht van gewijsde heeft, nu de Afdeling de uitspraak heeft bevestigd. De vraag die daarom in deze procedure ter beoordeling voorligt, is of de minister met het bestreden besluit aan de opdracht van de rechtbank heeft voldaan. Deze vraag zal de rechtbank beantwoorden aan de hand van het kader dat is vastgesteld in de uitspraak van 7 juli 2022 en hetgeen eiser in zijn beroepsgronden naar voren heeft gebracht.
Horen en het iMMO-rapport
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van 7 juli 2022. Eiser is ten onrechte niet aanvullend gehoord of onderworpen aan een eigen forensisch medisch onderzoek. Ook heeft de minister de inhoud, strekking en conclusies uit het iMMO-rapport onvoldoende betrokken in de beoordeling. Onderdeel A2 wordt überhaupt niet genoemd in het bestreden besluit.
8. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat eiser ten onrechte niet opnieuw is gehoord. Uit het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) en Werkinstructie 2023/7 volgt dat eiser opnieuw gehoord had moeten worden. De minister wil eiser daarom alsnog horen. Ook heeft de minister bevestigd dat de verklaringen van eiser en het iMMO-rapport vervolgens integraal beoordeeld moeten worden.
9. De rechtbank stelt vast dat eiser ten onrechte niet opnieuw is gehoord. In werkinstructie 2023/7 (pagina 9) is bepaald dat in geval van een inhoudelijke beoordeling van de opvolgende asielaanvraag (inwilliging of afwijzing als kennelijk ongegrond) altijd een gehoor zal moeten worden ingepland. Artikel 3.118b, vierde lid, van het Vb 2000, geeft de minister de mogelijkheid om in een dergelijk geval te horen. De rechtbank wijst daarbij ook op vaste jurisprudentie van de Afdeling, waarin is bepaald dat uit artikel 14, eerste lid van de Procedurerichtlijn [9] volgt dat de minister de vreemdeling altijd moet horen als hij een opvolgende asielaanvraag inhoudelijk beoordeelt. [10]
9.1.
De rechtbank stelt ook vast dat onderdeel A2 van het iMMO-rapport ten onrechte niet kenbaar is betrokken in de beoordeling.
9.2.
Het voorgaande brengt mee dat de minister geen deugdelijk onderzoek heeft verricht naar het iMMO-rapport. Er kleeft een gebrek aan het bestreden besluit en eiser moet opnieuw gehoord worden. Daarmee heeft de minister niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 7 juli 2022. De minister dient alsnog een nader onderzoek te verrichten naar het iMMO-rapport en de gevolgen daarvan voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser afgelegde verklaringen. De rechtbank doet met het oog daarop een tussenuitspraak.
9.3.
De rechtbank bepaalt dat de minister eiser opnieuw moet horen en een nieuw of aanvullend besluit moet nemen. Op de zitting is gebleken dat eiser graag opnieuw gehoord wil worden. Bij het horen dient de minister naar het oordeel van de rechtbank evenwel rekening te houden met eventuele beperkingen van het vermogen om te verklaren. Gelet op de aard en inhoud van de op dit moment beschikbare medische informatie en het feit dat het medisch advies van het FMMU dateert van bijna zes jaar geleden, ligt het op de weg van de minister om, voordat eiser opnieuw wordt gehoord, te onderzoeken of er op dit moment relevante beperkingen voor het horen zijn en of eiser bijzondere procedurele waarborgen behoeft.
9.4.
In het nieuwe of aanvullende besluit dient de minister vervolgens alle beschikbare informatie kenbaar en in samenhang in de beoordeling te betrekken. Dit betekent dat in ieder geval alle onderdelen van het iMMO-rapport (A1, A2 en B), inclusief de verklaringen die eiser bij het iMMO heeft afgelegd, integraal moeten worden betrokken in de beoordeling. Wat betreft onderdeel A1 en A2 van het iMMO-rapport overweegt de rechtbank nog dat de bevindingen van het iMMO daarin medisch steunbewijs vormen. Hoewel de bevindingen geen sluitend bewijs vormen, kunnen de bevindingen de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser wel in meer of mindere mate ondersteunen. De minister dient de verklaringen van eiser dan ook in samenhang met de bevindingen van het iMMO in onderdeel A1 en A2 te beoordelen.
Het vervolg van de procedure
10. De rechtbank draagt de minister op om zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee weken na publicatie van deze uitspraak schriftelijk kenbaar te maken of hij gebruik wil maken van de gelegenheid om een nieuw of aanvullend besluit te nemen.
10.1.
Als de minister gebruikmaakt van de gelegenheid om een nieuw of aanvullend besluit te nemen, verzoekt de rechtbank partijen te handelen zoals hieronder vermeld.
De minister krijgt na publicatie van deze uitspraak acht weken de tijd om eiser aanvullend te horen;
Uiterlijk één week na het aanvullend gehoor stuurt de minister het rapport van dat gehoor aan de gemachtigde van eiser en aan de rechtbank;
De gemachtigde van eiser krijgt één week de tijd voor het inbrengen van correcties en aanvullingen op het rapport van het gehoor;
De minister krijgt vervolgens zes weken de tijd voor het nemen van een aanvullend besluit;
De gemachtigde van eiser krijgt daarna vier weken de tijd om op het aanvullende besluit te reageren en mee te delen of hij een nieuwe zitting wenst.
10.2.
Mocht op enig moment een termijn niet gehaald worden, dan vragen partijen de rechtbank om uitstel via het elektronische dossier. Als uitstel wordt verleend, schuiven de genoemde termijnen op. Als een partij sneller handelt dan vermeld, blijft de lengte van de termijn voor de volgende stap gelijk.
10.3.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan. Dit betekent dat zij ook over de proceskosten nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt de minister op om zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen twee weken na publicatie van deze uitspraak schriftelijk mee te delen of hij gebruikmaakt van de gelegenheid om een aanvullend besluit te nemen;
  • verzoekt partijen om, als de minister van deze gelegenheid gebruikmaakt, te handelen zoals vermeld in 10.1-10.2;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Forensisch Medische Maatschappij Utrecht.
4.Destijds de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
6.[groep] .
7.Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.
9.Richtlijn 2013/32/EU.
10.Afdeling, 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:208, overweging 5.6.