Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[eisende partij 1] te [woonplaats] ,2. [eisende partij 2] te [woonplaats] ,
1.De procedure
2.De feiten
In de bijlage treft u ons ondertekend schrijven aan m.b.t. beëindiging van de kinderopvang.
Na veel gepuzzel en een bezoek aan het Belastingkantoor in Leeuwarden, ben ik erachter gekomen dat ik een aantal zaken digitaal onjuist heb ingevuld. Althans, op een wijze dat de Belastingdienst heeft gemeend dat ik geen recht zou hebben op de kinderopvangtoeslag in 2013. Na de uitleg heb ik op aanwijzing van de desbetreffende adviseur van de Belastingdienst wijzigingen doorgevoerd. Dit op 4 juni 2014. (…)
Op 3 mei 2021 bevond ik mij op het kantoor van [eisende partij 1] te [plaats] , waar ik samen met mijn collega [naam 2] aanwezig was voor een overleg met [eisende partij 1] . Wij ondersteunen [eisende partij 1] periodiek bij vraagstukken van cliënten die te maken hebben met uitkeringen.
Wij hebben inderdaad met elkaar afgesproken dat ik dit voor u zou navragen en dat heb ik voor u gedaan. Ik wilde dit aan u doorgeven op het moment dat de beoordeling was afgerond, maar het kan ook nu.
3.Het geschil
4.De beoordeling
een grote vordering van de Belastingdienst Toeslagen” wordt genoemd, hetgeen er op wijst dat [eisende partij 2] destijds al van de terugvordering op de hoogte was. Daar staat tegenover dat uit de door de Staat overgelegde loggegevens niet volgt dat vóór 30 april 2014 contact met [eisende partij 1] is opgenomen over de terugvordering. De Staat heeft tijdens de mondelinge behandeling ook gesteld dat een dergelijke informele aankondiging niet in de gebruikelijke werkwijze van de Belastingdienst past, en de waarachtigheid van de verklaring van [eisende partijen] c.s. (mede) om deze reden in twijfel getrokken.