ECLI:NL:RBDHA:2026:4895
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 25 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel eerder getoetst en verklaarde deze tot 15 januari 2026 rechtmatig.
In dit vervolgberoep stond de beoordeling centraal of er zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser betoogde dat geen laissez-passer zou worden afgegeven en dat hij medewerking verleende aan elk land waar hij aan gepresenteerd kon worden. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een laissez-passer onvoldoende is om het ontbreken van zicht op uitzetting aan te nemen, mede omdat eiser geen concrete aanwijzingen gaf dat het lp-traject zou mislukken.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiser onvoldoende actief medewerking heeft verleend aan het verkrijgen van de benodigde documenten voor uitzetting. De ambtshalve toetsing leverde geen aanwijzingen op dat de maatregel onrechtmatig is. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.