ECLI:NL:RBDHA:2026:1434

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1156
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en voortvarendheid in vreemdelingenzaken

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd op 25 november 2025. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank had eerder, op 15 december 2025, al een uitspraak gedaan over de rechtmatigheid van de maatregel tot dat moment. In deze nieuwe procedure heeft de rechtbank het vooronderzoek gesloten op 15 januari 2026 en besloten dat een zitting niet nodig was.

De rechtbank overweegt dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het eerdere onderzoek op 9 december 2025. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt in de uitzetting naar Libië, waar hij een terugkeerbesluit voor heeft. De rechtbank stelt vast dat de minister voldoende aanknopingspunten heeft om ook onderzoek te doen naar de mogelijkheid van uitzetting naar Marokko of Algerije, gezien eerdere terugkeerbesluiten.

Uiteindelijk komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond is en wijst het verzoek om schadevergoeding af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1156

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 25 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft deze maatregel al eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 15 december 2025. [1]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 15 januari 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [2]
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 december 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 9 december 2025) rechtmatig is.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, Eiser heeft op 31 december 2021 een terugkeerbesluit gekregen dat ziet op Libië. De minister is daarom gehouden de uitzettingshandelingen te richten op Libië en dus niet op Marokko en Algerije.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat aan eiser op 24 oktober 2024 een terugkeerbesluit is opgelegd dat ziet op Libië, Marokko en Algerije. [3] De rechtbank overweegt dat de minister een verzoek om een laisser-passer (lp) te verlenen kan indienen zodra er een aanknopingspunt bestaat dat een vreemdeling mogelijk uit dat land komt. Aan de hand van zo’n aanknopingspunt mag de minister onderzoeken naar welk land de vreemdeling kan worden uitgezet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het eerder genoemde terugkeerbesluit voldoende aanknopingspunten mogen zien om te onderzoeken of eiser uit Marokko of Algerije komt en bij deze landen een lp-traject op te starten.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24125.
2.Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.
3.Te raadplegen via het dossier met zaaknummer NL25.58010.
4.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.