ECLI:NL:RBDHA:2026:4762

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
23/80 en 24/3872
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 lid 2 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buitenbehandelingstelling en toekenning bijstand als geldlening afgewezen

Eiser diende twee bijstandsaanvragen in: een op 19 september 2021 en een op 22 februari 2022. De aanvraag van februari 2022 werd buiten behandeling gesteld, waartegen eiser beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang meer heeft bij dit beroep, omdat het college al met terugwerkende kracht bijstand heeft toegekend over de periode van september 2021 tot juli 2022.

De toekenning van bijstand over deze periode geschiedde in de vorm van een geldlening vanwege een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Dit werd onderbouwd met het feit dat eiser in de negen maanden voorafgaand aan de aanvraag een vermogen van ruim €58.000,- had besteed, waaronder een donatie van €20.000,-, terwijl hij door medische klachten niet kon werken.

Eiser voerde aan dat de bijstand ten onrechte als lening werd toegekend, maar de rechtbank oordeelt dat de uitgaven, met name de grote donatie, niet als verantwoord kunnen worden beschouwd. Het college heeft dit op goede gronden gedaan. Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de leningtoekenning wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Beroep tegen buitenbehandelingstelling niet-ontvankelijk; beroep tegen bijstand als geldlening ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 23/80 en 24/3872

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. C. Car),
en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, het college

(gemachtigde: M. de Weger).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van eiser van 22 februari 2022 om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) en de toekenning van bijstand over de periode 19 september 2021 tot 1 juli 2022 in de vorm van een geldlening. Eiser is het niet eens met de buitenbehandelingstelling van de aanvraag en de vorm waarin de bijstand is verleend. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen de buitenbehandelingstelling. Het beroep daartegen wordt daarom niet inhoudelijk beoordeeld en is niet-ontvankelijk. Met betrekking tot de toekenning van de bijstand in de vorm van een geldlening is de rechtbank van oordeel dat het college op goede gronden de bijstand heeft toegekend in de vorm van een geldlening. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

23/80
2. Eiser heeft op 22 februari 2022 een bijstandsaanvraag ingediend. Bij besluit van 11 mei 2022 is de aanvraag buiten behandeling gesteld. Bij besluit op bezwaar van 2 december 2022 (bestreden besluit 1) heeft het college de buitenbehandelingstelling gehandhaafd.
24/3872
2.1.
Eiser heeft op 19 september 2021 een bijstandsaanvraag ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 29 november 2021 afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 13 mei 2022 heeft het college de afwijzing gehandhaafd.
2.2.
Bij uitspraak van 23 januari 2024 [1] heeft deze rechtbank het besluit op bezwaar van 13 mei 2022 vernietigd. Bij beslissing op bezwaar van 4 april 2024 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag van 19 september 2021 gegrond verklaard en bijstand toegekend over de periode van 19 september 2021 tot 1 juli 2022 naar de norm van een alleenstaande. Eiser ontvangt de bijstandsuitkering in de vorm van een geldlening vanwege een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 11 december 2025 op zitting behandeld. De gemachtigden van partijen hebben hieraan deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Afwijzing verzoek aanhouding
3. Eiser is niet verschenen ter zitting. De gemachtigde van eiser heeft daarom ter zitting verzocht om uitstel omdat het haar de afgelopen vier weken niet is gelukt om met eiser in contact te komen. Zij vertegenwoordigt eiser ook in familierechtelijke zaken en normaliter verschijnt eiser altijd op zitting. Zij denkt dat dit te maken heeft met het overlijden van de zus van eiser en dat hij mogelijk in Marokko verblijft vanwege haar begrafenis.
3.1.
De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek ter zitting afgewezen nu niet in geschil is dat eiser de uitnodiging voor de zitting op 11 december 2025 heeft ontvangen en de gemachtigde van eiser ter zitting is verschenen om de belangen van eiser te behartigen. Daarbij komt dat het overlijden van de zus van eiser al vier weken voor de zitting bekend was en pas ter zitting is verzocht om uitstel. Van belang is verder dat het college ter zitting terecht erop heeft gewezen dat het vanaf de datum indiening van het beroep (14 mei 2024) in de zaak 24/3872 bijna 1,5 jaar heeft geduurd voordat de zaak is gepland op een zitting. Alles overziend ziet de rechtbank onvoldoende reden om het gevraagde uitstel te verlenen.
23/80
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep tegen de buitenbehandelingstelling.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van het beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven als de betrokkene een uitspraak wenst met het oog op een toekomstig verzoek om schadevergoeding. Dan is echter wel vereist dat het bestaan van schade als gevolg van de besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. [2]
4.2.
De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zij zich refereert aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het procesbelang.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijk oordeel over de buitenbehandelingstelling. De buitenbehandelingstelling heeft betrekking op een aanvraag van eiser om bijstand, ingediend op 22 februari 2022. Met het bestreden besluit 2 heeft het college reeds met terugwerkende kracht onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van eiser vanaf 19 september 2021. Naar aanleiding daarvan heeft het college met terugwerkende kracht bijstand verleend over de periode 19 september 2021 tot 1 juli 2022. Noch de vorm van die toekenning (niet als gift maar als lening) noch de duur van de uitkering zal wijzigen als de rechtbank een inhoudelijk oordeel geeft over de vraag of de buitenbehandelingstelling terecht was en eiser op dat punt gelijk krijgt.
Eiser heeft verder niet aangevoerd dat hij schade heeft geleden door de besluitvorming. De rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten daarvoor en acht het daarom op voorhand onaannemelijk dat eiser als gevolg van het bestreden besluit 1 schade heeft geleden.
Voor zover eiser stelt dat hij belang heeft vanwege de proceskosten in bezwaar geldt dat het thans vaste rechtspraak [3] is dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang oplevert. De rechtbank stelt verder vast dat bij het bestreden besluit 1 geen sprake is van herroeping van het besluit van 11 mei 2022. Met het bestreden besluit 2 is dat ook niet gebeurd.
24/3872
5. Eiser heeft tot en met 8 juni 2020 bijstand ontvangen van de gemeente Den Haag. Hij heeft op 2 juni 2020 een ongeval gehad. De Svb [4] heeft in de maand juni 2020 in totaal € 20.332,- en in de maand juli 2020 ongeveer € 30.000,- overgemaakt naar eiser. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat de bijschrijvingen van de Svb inkomsten betreffen van de werkzaamheden van eiser als zzp-er in de zorg. Op 31 december 2020 was het banksaldo op de zakelijke rekening (KNAB) van eiser € 58.069,75 en op 31 augustus 2021 € 0,-. Blijkens de bankafschriften heeft eiser op 21 april 2021 een bedrag van € 20.000,- overgemaakt naar een buitenlands rekeningnummer op naam van [naam] met de omschrijving Ramadan donatie. Ook heeft hij diverse bedragen overgeschreven naar derden, onder andere € 1.000,- op 19 maart 2021, € 5.500,- op 24 maart 2021, € 3.500,- op 6 april 2021 en € 7.500,- op 12 april 2021. Op 19 september 2021 heeft eiser zich bij het college gemeld voor het aanvragen van bijstand.
5.1.
Bij het bestreden besluit heeft het college, voor zover van belang, met verwijzing naar artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de Pw zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een tekortschietend besef bij eiser omdat hij in een periode van negen maanden voorafgaand aan de bijstandsaanvraag op 19 september 2021 een vermogen van € 58.069,75 heeft uitgegeven. Naast de overschrijving van € 20.000,- op 20 april 2021 heeft eiser diverse hoge bedragen overgemaakt naar derden. Gelet op de medische klachten naar aanleiding van zijn auto ongeluk op 2 juni 2020 was het uitzicht op inkomsten uit arbeid niet realistisch. Door besteding van een dergelijk hoog inkomen in een periode van negen maanden is een vervroegd beroep op bijstand ontstaan, aldus het college.
5.2.
Eiser stelt, kort samengevat, dat de bijstand ten onrechte is toegekend in de vorm van een geldlening vanwege tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Daardoor is een schuld aan het college ontstaan van ongeveer € 10.000,- die hij moet terugbetalen.
5.3.
De beroepsgrond slaagt niet. Het volgende is van belang.
5.4.
Het tonen van besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is essentieel voor het recht op bijstand, aangezien de Pw voorziet in een vangnet voor wie niet in staat is zelf in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. De noodzaak van dit besef – en het daarnaar handelen – is onlosmakelijk verbonden met het complementaire karakter van de bijstand, te weten het uitgangspunt dat ieder in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan en dat voor bijstand pas plaats is als de betrokkene alle voor hem beschikbare mogelijkheden om daarin te voorzien heeft benut. [5]
5.5.
Van een tekortschietend besef als bedoeld in 5.4. kan sprake zijn indien een betrokkene in de periode voorafgaand aan de aanvraag om bijstand de beschikking heeft of krijgt over in aanmerking te nemen vermogen en vervolgens op dat vermogen, tezamen met eventueel beschikbaar inkomen, te snel inteert, terwijl redelijkerwijs voorzienbaar is dat daardoor vervroegd een beroep op bijstand moet worden gedaan. Ook dit is vaste rechtspraak. [6]
5.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser een bedrag van € 58.069,75,- heeft besteed in een periode van negen maanden voorafgaand aan zijn bijstandsaanvraag op 19 september 2021. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het uitgavenpatroon verantwoord was.
5.7.
In dit kader is in het bijzonder van belang de overschrijving van € 20.000,- op 20 april 2021. De rechtbank is van oordeel dat deze uitgave in elk geval niet als verantwoord kan worden aangemerkt. Eiser stelt dat het ging om een Ramadan donatie. Wat hier ook van zij, het enkele feit dat het volgens eiser een moreel verantwoorde keuze was om hier geld aan uit te geven betekent niet dat een dergelijke grote gift ook voor de toepassing van de Pw als een verantwoorde besteding kan worden aangemerkt. Dat hij dit kennelijk mede heeft gedaan omdat hij toen in de veronderstelling was dat hij een schadevergoeding zou ontvangen vanwege zijn auto ongeluk in 2020 en niet had verwacht zo lang arbeidsongeschikt te blijven, maakt dit niet anders. Het ongeluk heeft in juni 2020 plaatsgevonden en eiser had in april 2021, toen hij de donatie deed, nog medische klachten en was niet aan het werk. Het was derhalve toen al redelijkerwijs voorzienbaar dat hij in de toekomst weer een beroep op bijstand zou moeten doen. Voor zover eiser stelt dat hij vanwege zijn medische klachten (depressie, ptss en niet- aangeboren hersenletsel) niet goed de financiële gevolgen van zijn uitgaven kon overzien en hem dat niet valt te verwijten, ziet de rechtbank daar onvoldoende aanknopingspunten voor. De onder 5. genoemde overschrijvingen, waaronder de donatie, hebben plaatsgevonden in maart en april 2021, dus ruim na het ongeluk van juni 2020. Daarnaast kan uit de overgelegde medische stukken, onder andere een brief van 23 mei 2025 van de ergotherapeut, niet afgeleid worden dat er sprake is van niet aangeboren hersenletsel. De ergotherapeut geeft enkel aan dat eiser bekend is met COPD, artrose in de onderrug, chronische depressieve stoornis en whiplash-gerelateerde klachten na twee auto-ongelukken in 2020 en 2023 en dat dit zich uit in verschillende klachten.
5.8.
Dit betekent dat de gevolgen van de financiële keuzes voor rekening van eiser komen en niet op de bijstand kunnen worden afgewenteld. Reeds gelet daarop heeft het college voldoende gemotiveerd dat niet van een verantwoord uitgavenpatroon gesproken kan worden. Eiser had immers alleen al van het bedrag van € 20.000,-, gelet op de door het college gehanteerde interingsnorm van 1,5 maal de voor eiser geldende alleenstaande bijstandsnorm, bijna twaalf maanden kunnen voorzien in de kosten van zijn levensonderhoud. De overige onder 5. genoemde uitgaven, onder andere de gestelde terugbetaling van leningen aan derden, behoeven geen bespreking nu de toekenningsperiode van bijstand, 19 september 2021 tot 1 juli 2022, minder is dan twaalf maanden.
5.9.
Ook voor het overige ziet de rechtbank geen reden waarom bestreden besluit 2 niet in stand zou kunnen blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het bestreden besluit 1 in de zaak 23/80 is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt deze zaak dus niet inhoudelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 in de zaak 24/3872 is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 1 in de zaak 23/80 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 in de zaak 24/3872 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
- de griffier is verhinderd
om te ondertekenen -
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1594
3.Zie de uitspraak van 2 april 2024 van de CRvB van ECLI:NL:CRVB:2024:636
4.Svb = Sociale verzekeringsbank
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 2 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1778
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 16 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:187