ECLI:NL:RBDHA:2026:4761

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/09/684656 / HA ZA 25-382
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 2:11 BWArt. 6:171 BWArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onrechtmatige betaling voorschotfactuur na faillissementsaanvraag

Eisers sloten met de vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. een aannemingsovereenkomst voor de verbouwing van hun woning. De vennootschap werd bestuurd door gedaagden, die tevens aandeelhouders waren. Na betaling van meerdere termijnfacturen ontstond discussie over de betaling van termijnfacturen 16 en 17, waarbij eisers stelden dat deze facturen niet voldaan hoefden te worden omdat de werkzaamheden niet in gelijke tred vorderden.

Op 25 november 2021 vroeg gedaagde 2 het faillissement van [bedrijfsnaam] aan, dat op 7 december 2021 werd uitgesproken. De rechtbank onderzocht of de bestuurders aansprakelijk konden worden gehouden voor onrechtmatige daad wegens het laten betalen van termijnfactuur 17 terwijl het faillissement onafwendbaar was.

De rechtbank oordeelde dat niet aan de Beklamel-norm was voldaan bij het aangaan van de overeenkomst en bij termijnfactuur 16, maar dat bij termijnfactuur 17, betaald drie dagen voor de faillissementsaanvraag, sprake was van een ernstig verwijt aan de bestuurders. De vordering van eisers werd daarom toegewezen tot het bedrag van termijnfactuur 17, vermeerderd met wettelijke rente. Proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Bestuurders worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van termijnfactuur 17 met wettelijke rente wegens onrechtmatige betaling vlak voor faillissementsaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Tem handel
Zaaknummer: C/09/684656 / HA ZA 25-382
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van

1.[eiser] , te [woonplaats 1] ,

2.
[eiseres], te [woonplaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] c.s.,
advocaat: mr. N.C. Ing, te Zoetermeer,
tegen

1.[gedaagde 1] B.V., te [vestigingsplaats] ,

2.
[gedaagde 2], te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , tezamen: [gedaagden] c.s.,
advocaat: mr. J. Bouwman-Treffers, te Honselersdijk.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 16 april 2025, met de producties 1 tot en met 20;
- de conclusie van antwoord, met de productie 1 tot en met 4;
- de akte overlegging nadere producties van [eisers] c.s., met de producties 21 tot en met 25;
- een beter leesbare versie van productie 8 van [eisers] c.s.;
- de producties 5 en 6 van [gedaagden] c.s.
1.2.
Op 19 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak nader toegelicht, pleitaantekeningen overgelegd, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is voorgevallen.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 3 januari 2020 heeft [gedaagde 2] de vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. (hierna [bedrijfsnaam] ) opgericht, met een geplaatst kapitaal van € 1.200. [gedaagde 1] was (tot het faillissement van [bedrijfsnaam] ) enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] .
2.2.
Begin februari 2021 is tussen [bedrijfsnaam] en [eisers] c.s. een overeenkomst tot aanneming van werk gesloten voor de verbouwing van hun woning (hierna: de woning). Op deze overeenkomst (hierna: de overeenkomst) zijn de algemene voorwaarden van [bedrijfsnaam] van toepassing. De projectleider van de verbouwing was [projectleider] (hierna: [projectleider] ), werknemer van [bedrijfsnaam] . [eisers] c.s. werden ondersteund door een architecte/ bouwbegeleidster.
2.3.
[eisers] c.s. en [bedrijfsnaam] zijn een aanneemsom van € 441.273,57, inclusief BTW [1] overeengekomen, welke in 18 termijnen zou worden voldaan. Overeengekomen is dat deze termijnen een voorschot inhielden op de uit te voeren werkzaamheden en dat deze termijnen ongeveer gelijk zouden lopen met de stand van het werk. Meerwerk zou apart tussendoor worden afgerekend en aan het einde zou nog een laatste meer- en minderfactuur worden opgesteld.
2.4.
In februari 2021 zijn de werkzaamheden aan de woning gestart. Tot en met 5 oktober 2021 hebben [eisers] c.s. de termijnfacturen 1 tot en met 15 (€ 381.048,95) voldaan.
2.5.
Op 4 oktober 2025 hebben [eisers] c.s. een termijnfactuur van € 26.476,42 (termijn 16) ontvangen. [eisers] heeft hierover contact opgenomen met [gedaagde 2] , omdat deze factuur volgens [eisers] geen gelijke tred hield met de voortgang van de werkzaamheden. [gedaagde 2] stelde zich op het standpunt dat de factuur betaald moest worden en dat anders de werkzaamheden zouden worden gestaakt. Op voorstel van [gedaagde 2] hebben [eisers] c.s. de factuur in twee gedeelten betaald, namelijk op 10 oktober 2021
€ 13.238,21 en op 26 oktober 2021 nogmaals € 13.238,21.
2.6.
Naar aanleiding van de ontvangst van een nieuwe termijnfactuur van € 26.476,42 (termijn 17) heeft [eisers] op 15 november 2021 wederom contact gehad met [gedaagde 2] . [eisers] stelde zich op het standpunt dat de woning eerst wind- en waterdicht zou moeten zijn, voordat deze factuur betaald zou worden.
2.7.
Bij e-mail van 17 november 2021 heeft [gedaagde 2] [eisers] c.s. verzocht om termijnfactuur 17 te betalen. [gedaagde 2] heeft hierover geschreven:
“In de bijlage de aangepaste planning zoals jullie gisteren hebben besproken.
Hier wil ik gelijk op inhaken m.b.t. de facturatie. Afgelopen week is er een termijn uitgegaan en dat zou inhouden dat hierna nog één termijn en verrekening meer- en minder werk moet worden gerekend.
Om een hele lange discussie hierover te moeten voeren is zonde van onze tijd en ik wil dan ook het volgende doen.
 Termijn 17 zoals verstuurd.
 Facturatie meer- en minderwerk (+/- € 7.879,21, exclusief BTW) na de 1e oplevering (na 13-12). Deze kan iets afwijken omdat er een post met een verrekenbare aantal in is verwerkt (MM-13). Hier rekenen we daadwerkelijke aantallen af
 Laatste termijn (€ 22.063,68 inclusief BTW) na oplevering en overdracht.”
2.8.
Op 17 november 2021 was het saldo van de ING-rekening van [bedrijfsnaam] € 8,01 negatief.
2.9.
Op 22 november 2021 hebben [eisers] c.s. termijnfactuur 17 betaald op deze ING-rekening.
2.10.
Vervolgens heeft [gedaagde 2] op 23 november 2021 van de ING-rekening van [bedrijfsnaam] meerdere bedragen overgemaakt, onder meer een bedrag van € 12.876,82 aan [gedaagde 1] .
2.11.
Op 25 november 2021 heeft [gedaagde 2] besloten het faillissement van [bedrijfsnaam] aan te vragen. Bij vonnis van 7 december 2021 is [bedrijfsnaam] in staat van faillissement verklaard.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] c.s. vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I
primair:[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van
€ 97.999,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;
II
subsidiair:[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van
€ 26.476,22 met de wettelijke rente vanaf 10 oktober 2021 tot aan de dag van algehele voldoening en € 26.476,22, met de wettelijke rente vanaf 22 november 2021 tot de dag van algehele voldoening;
III
primair en subsidiair:[gedaagden] c.s. hoofdelijk veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Aan deze vorderingen hebben [eisers] c.s., samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagden] c.s. hebben als (middellijk) bestuurders onrechtmatig gehandeld jegens [eisers] c.s. In de eerste plaats wisten of behoorden [gedaagden] c.s. bij het aangaan van de overeenkomst te weten dat [bedrijfsnaam] niet aan haar verplichtingen jegens [eisers] c.s. zou kunnen voldoen en dat zij evenmin verhaal zou bieden. In de tweede plaats heeft [gedaagde 2] toegelaten dat [bedrijfsnaam] niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden. Hij heeft immers toegelaten dat door [eisers] c.s. betaalde termijnen die bestemd waren voor de verbouwing door [projectleider] voor andere doeleinden zijn gebruikt. [gedaagde 2] had als enige toegang tot de ING-rekening van [bedrijfsnaam] en had een waarborg moeten inbouwen om oneigenlijke besteding van de gelden te voorkomen.
In de derde plaats heeft [gedaagde 2] de termijnfacturen 16 en 17 laten betalen zonder dat deze opeisbaar waren en terwijl hij wist of had behoren te weten dat [bedrijfsnaam] hoogstwaarschijnlijk niet meer aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Bovendien heeft [gedaagde 2] het op 23 november 2021 ontvangen bedrag gebruikt om [gedaagde 2] Adviesgroep te betalen.
Ten slotte heeft [gedaagde 2] vanaf november 2021 steeds toezeggingen gedaan, die hij niet heeft kunnen waarmaken. Hij heeft beloftes gedaan en op zijn minst de indruk gewekt dat hij ervoor zou zorgen dat de woning zou worden afgebouwd. Hij heeft [eisers] c.s. vijf maanden aan het lijntje gehouden. Als gevolg hiervan hebben [eisers] c.s. schade geleden. De door [eisers] c.s. geleden schade bestaat in hoofdsom uit € 95.001,96, berekend als volgt:
- kosten herstel van de woning
en kosten resterende werkzaamheden: € 146.392,96
- uitgekeerd bedrag CAR-verzekering: € 24.690,00 -/-
- bedrag dat nog niet aan [bedrijfsnaam] was betaald:
€ 26.701,00-/-
Totaal: € 95.001,96
Over dit bedrag zijn [gedaagden] c.s. wettelijke rente verschuldigd. Om proces-economische redenen beperken [eisers] c.s. hun primaire vordering tot € 97.999,99.
Voor zover [gedaagden] c.s. niet aansprakelijk zijn voor de volledige schade, geldt dat zij aansprakelijk tot het beloop van de termijnen 16 en 17.
3.3.
[gedaagden] c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bestuurdersaansprakelijkheid?
4.1.
Allereerst aan de orde is of [gedaagden] c.s. als (middellijk) bestuurders van [bedrijfsnaam] op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk zijn voor schade die [eisers] c.s. lijden ten gevolge van het niet geheel nakomen door [bedrijfsnaam] van de aannemingsovereenkomst. Die nakoming is niet meer mogelijk, omdat [bedrijfsnaam] in staat van faillissement verkeert.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat, indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering zal evenwel naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 Burgerlijk Pro Wetboek (BW), een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. [2]
4.3.
Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. [3] Dit wordt ook wel de Beklamel-norm genoemd.
4.4.
In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. [4]
4.5.
Verder bepaalt artikel 2:11 BW Pro dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder tevens rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is.
4.6.
Op grond van de hoofdregel van het bewijsrecht (artikel 150 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) is het aan [eisers] c.s. om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen waaruit het onrechtmatig handelen en de aansprakelijkheid van [gedaagden] c.s. kunnen volgen.
Is aan de Beklamel-norm voor aansprakelijkheid voldaan?
4.7.
Ter onderbouwing van hun stelling dat [gedaagden] c.s. bij het aangaan van de overeenkomst wist of behoorde te weten dat [bedrijfsnaam] de overeenkomst niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden hebben [eisers] c.s. aangevoerd dat:
i) [gedaagde 2] [bedrijfsnaam] heeft opgericht met een gering geplaatst kapitaal van € 1.200, zodat het vrijwel geen buffer had om eventuele tegenvallers op te vangen;
ii) [gedaagde 2] door het omvangrijke project bij [eisers] c.s. aan te nemen zonder een financiële buffer een groot risico heeft genomen, dat zich heeft verwezenlijkt.
4.8.
De rechtbank overweegt als volgt. In zijn algemeenheid kan niet worden verlangd dat een startend bedrijf een financiële buffer heeft. In dit geval is de overeenkomst met [eisers] c.s. ruim een jaar na de oprichting van [bedrijfsnaam] aangegaan, in welk jaar [bedrijfsnaam] als aannemer actief is geweest en zij, blijkens het overgelegde faillissementsverslag (productie 16 van [eisers] c.s.) een omzet van € 354.799 heeft behaald. Uit dit faillissementsverslag kan, anders dan [eisers] c.s. hebben gesteld, niet worden opgemaakt dat [bedrijfsnaam] in 2020 een verlies heeft geleden. In dat verslag is over 2020 immers een “Winst en verlies” van
€ 23.778 vermeld. [eisers] c.s. hebben niet verder toegelicht hoe de financiële situatie van [bedrijfsnaam] was ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. Of die situatie vergde dat [bedrijfsnaam] een (grotere) financiële buffer had, kan dus niet zonder meer worden aangenomen. Ten slotte is van belang dat [bedrijfsnaam] bijna negen maanden lang heeft gewerkt aan de woning van [eisers] c.s. en in die periode - zoals [eisers] ter zitting heeft verklaard - ongeveer 70% van de werkzaamheden heeft uitgevoerd. Reeds hieruit volgt dat het niet aannemelijk is dat bij het aangaan van de overeenkomst kon worden voorzien dat [bedrijfsnaam] niet in staat zou zijn de werkzaamheden te voltooien. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat niet aan de Beklamel-norm voor aansprakelijkheid is voldaan.
Heeft [gedaagde 2] toegelaten dat [bedrijfsnaam] niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden?
4.9.
Met betrekking tot het verwijt van [eisers] c.s., dat [gedaagde 2] heeft toegelaten dat van [eisers] c.s. ontvangen gelden die bestemd waren voor de verbouwing door [projectleider] voor andere doeleinden zijn gebruikt, wordt het volgende overwogen. [gedaagden] c.s. hebben betwist dat deze gelden oneigenlijk zijn besteed. Op dit punt hebben [eisers] c.s. geen nadere onderbouwing van hun stelling gegeven. Bovendien is van belang dat, zoals [gedaagden] c.s. onweersproken hebben aangevoerd, [bedrijfsnaam] in 2021 nog andere projecten had lopen en dat zij ook bedrijfskosten had. Hieruit volgt al dat de van [eisers] c.s. ontvangen gelden niet uitsluitend voor de verbouwing van de woning hoefden te worden gebruikt. Hierop strandt het verwijt van [eisers] c.s.
Mochten [gedaagden] c.s. betaling verlangen van de termijnfacturen 16 en 17?
4.10.
Vervolgens is aan orde of [gedaagden] c.s. betaling hebben mogen verlangen van de termijnfacturen 16 en/of 17. Omdat deze facturen voorschotten inhielden op nog uit te voeren werkzaamheden, dient te worden beoordeeld of [gedaagden] c.s., toen zij de facturen lieten betalen, wisten of hebben behoren te weten dat [bedrijfsnaam] niet in staat zou zijn de daarop betrekking hebbende betreffende werkzaamheden uit te voeren en dat [bedrijfsnaam] geen verhaal zou bieden. Dat komt neer op een Beklameltoets.
4.11.
[eisers] c.s. achten van belang dat de termijnfacturen nog niet verschuldigd waren gezien de stand van de werkzaamheden. Die enkele gestelde omstandigheid brengt echter niet mee dat [gedaagden] c.s. wist of behoorde te weten dat de bij die voorschotten behorende werkzaamheden niet zouden worden uitgevoerd en [bedrijfsnaam] geen verhaal zou bieden.
4.12.
[gedaagde 2] Adviesgroep c.s. hebben de termijnfactuur 16 in twee gedeelten laten betalen op 10 respectievelijk 26 oktober 2021. Over de financiële situatie van [bedrijfsnaam] in oktober 2021 hebben [eisers] c.s. niets gesteld. Wel staat vast dat [gedaagde 1] op 26 oktober 2021 nog een bedrag van € 62.000 heeft geleend aan [bedrijfsnaam] en dat [gedaagde 2] bijna een maand later het faillissement van [bedrijfsnaam] heeft aangevraagd. Uit de geldlening zou kunnen worden afgeleid dat [bedrijfsnaam] een liquiditeitstekort had, maar op zichzelf niet dat het faillissement van [bedrijfsnaam] onafwendbaar was. Kennelijk was er voor [gedaagde 2] Adviesgroep nog voldoende reden om [bedrijfsnaam] van aanvullende middelen te voorzien. De vrij gebruikelijke zekerheden die bij deze geldlening zijn bedongen, wijzen ook niet in de richting van een aanstaand faillissement. [eisers] c.s. hebben dan ook onvoldoende onderbouwd dat [gedaagden] c.s. eind oktober 2021 al wist of behoorde te weten dat de met (voorschot)factuur 16 gemoeide prestatie niet zou worden geleverd en [bedrijfsnaam] geen verhaal zou bieden.
4.13.
Dat is anders ten aanzien van de termijnfactuur 17. [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. hebben die factuur laten betalen op 22 november 2021, drie dagen voordat [gedaagde 2] heeft besloten het faillissement van [bedrijfsnaam] aan te vragen. Gelet op dit zeer korte tijdsbestek moet ervan worden uitgegaan dat er op 22 november 2021 al sprake was van een zodanig penibele financiële situatie, dat het faillissement van [bedrijfsnaam] onafwendbaar, of op zijn minst zeer waarschijnlijk was. [gedaagden] c.s. hebben tenminste niet aangevoerd dat de situatie van [bedrijfsnaam] in dat tijdbestek (onvoorzien) wezenlijk is verslechterd. Als (middellijk) bestuurders moeten [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. worden geacht op de hoogte te zijn van het financiële reilen en zeilen van [bedrijfsnaam] . Gelet op de penibele financiële situatie en omdat algemeen bekend is dat concurrente crediteuren in een faillissement vrijwel altijd achter het net vissen, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde 2] Adviesgroep c.s. in die omstandigheden had moeten afzien van het laten betalen van voorschot factuur 17. In zoverre treft hun een ernstig verwijt jegens [eisers] c.s.
4.14.
[gedaagden] c.s. hebben nog betoogd dat bestuurdersaansprakelijkheid niet kan worden aangenomen omdat [eisers] c.s. jegens [bedrijfsnaam] geen recht op terugbetaling van de termijnfacturen had. [gedaagden] c.s. beroepen zich op artikel 16.1 van de algemene voorwaarden, waarin is bepaald dat de overeenkomst wordt ontbonden als [bedrijfsnaam] in staat van faillissement wordt verklaard en op artikel 16.2, waarin is bepaald dat ingeval van ontbinding betaalde bedragen voor reeds uitgevoerde werkzaamheden niet worden gerestitueerd.
4.15.
Dit betoog slaagt niet. Ontbinding van een wederkerige overeenkomst brengt een verbintenis tot ongedaanmaking van een door een partij ontvangen prestatie mee (artikel 6:171 BW Pro). Bovendien hield de termijnfactuur 17 een voorschot in en zijn de daarop betrekking hebbende werkzaamheden niet uitgevoerd, zodat artikel 16.2 van de algemene voorwaarden niet van toepassing is.
Is er tussen partijen een nieuwe overeenkomst tot stand gekomen?
4.16.
Aan hun vordering op [gedaagde 2] hebben [eisers] c.s. ten slotte nog ten grondslag gelegd dat [gedaagde 2] , kort gezegd, vanaf eind november 2021 gedane toezeggingen niet heeft waargemaakt. Ter zitting is namens [eisers] c.s. verduidelijkt dat is bedoeld dat tussen partijen een nieuwe overeenkomst van aanneming van werk tot stand is gekomen, inhoudende dat [gedaagde 2] op zijn kosten zou zorgdragen voor het voltooien van de door [bedrijfsnaam] aangenomen werkzaamheden en dat [gedaagde 2] deze overeenkomst niet is nagekomen. [gedaagde 2] heeft betwist dat deze overeenkomst tot stand is gekomen. Volgens [gedaagde 2] heeft hij enkel [eisers] c.s. willen helpen aan een andere aannemer. Op [eisers] c.s. rust de bewijslast van het bestaan van de door hen gestelde nieuwe overeenkomst.
4.17.
Uitgangspunt in ons recht is dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding. Hierbij heeft te gelden dat het aanbod alle essentiële elementen van de te sluiten overeenkomst dient te bevatten om als aanbod te kunnen worden aangemerkt.
Het antwoord op de vraag of een overeenkomst is tot stand gekomen, is afhankelijk van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden; zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen.
4.18.
[eisers] c.s. hebben ter onderbouwing van hun stelling verwezen naar hun productie 22. Deze productie betreft een kopie van een aantal WhatsApp-berichten uit de periode 22 januari 2022 tot en met 2 mei 2022. Uit deze berichten maakt de rechtbank op er door [gedaagden] c.s. voorbereidingen zijn getroffen voor het verder afbouwen van de woning door één of meer derden en dat die werkzaamheden uiteindelijk niet zijn opgestart. De correspondentie biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat de kosten van het voltooien voor rekening van [gedaagde 2] zouden zijn. [gedaagde 2] heeft in zijn bericht van 2 mei 2022 juist duidelijk gemaakt dat hij die kosten niet zou dragen:
“Ik snap dat het voor jullie belangrijk is allemaal, maar concrete afspraken zijn er helaas niet gemaakt. Wel de toezegging en de belofte dat ik jullie niet zal laten vallen en waar mogelijk jullie zal (blijven) ondersteunen. Ik had een beeld en idee van hoe het e.e.a. wilde aanvliegen maar door diverse zaken is dat helaas niet gelukt. Dit heb ik ook elke keer aangegeven. Ook heb ik elke keer aangegeven het wel volgens de regels te willen uitvoeren omdat ik geen problemen wil achteraf voor mezelf en ook niet voor jullie. Dit gezegd hebbende dat ik pas concreet invulling kan doen als ik weet welke koers verantwoord is. Ik ga om die reden geen belofte maken (financieel gezien) die ik niet kan verantwoorden of kan nakomen.”
Gelet op dit een en ander hebben [eisers] c.s. onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om te kunnen concluderen dat de door hen gestelde overeenkomst tot stand is gekomen. Hun vorderingen kunnen daarop dus niet worden gebaseerd.
Slotsom
4.19.
De slotsom is dat de vorderingen van [eisers] c.s. worden toegewezen tot een bedrag van € 26.476,42 (termijnfactuur 17), te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente.
Proceskosten
4.20.
Partijen zijn over en weer op punten in het ongelijk gesteld. Daarin ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling aan [eisers] c.s. van € 26.476,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2021 tot de dag van algehele voldoening;
5.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door (dhr.) mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
1554

Voetnoten

1.De bedragen in dit vonnis zijn steeds inclusief BTW.
2.vgl. Hoge Raad 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873, NHB/Oosterhof.
3.vgl. Hoge Raad 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, Beklamel.
4.vgl. Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen.