ECLI:NL:RBDHA:2026:4550

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.14793 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 2.4 Procesreglement bestuursrecht rechtbanken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig indienen beroepsgronden in visumkort verblijf zaak

Deze uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de uitspraak van 6 augustus 2025, waarin haar beroep tegen de afwijzing van een visum kort verblijf niet-ontvankelijk werd verklaard. Opposante stelde dat de beroepsgronden tijdig waren geformuleerd en bood bewijs aan, maar diende deze niet binnen de termijn in.

De rechtbank heeft het verzet op 18 december 2025 behandeld, waarbij de gemachtigde van opposante aanwezig was en verweerder niet. De rechtbank beoordeelde of het eerdere oordeel over niet-ontvankelijkheid terecht was, zonder inhoudelijk op de beroepsgronden in te gaan.

De rechtbank oordeelde dat het niet tijdig indienen van de beroepsgronden niet verschoonbaar was, ook niet gezien het bewijs van opposante. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden. De belangenafweging op grond van artikel 6:6 Awb Pro werd niet toegepast omdat het verzuim niet verschoonbaar was.

Het verzet werd daarom ongegrond verklaard, de eerdere uitspraak bleef in stand, en opposante kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard omdat de beroepsgronden niet tijdig zijn ingediend, waardoor de eerdere niet-ontvankelijkverklaring in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14793 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposante], V-nummer: [v-nummer] , opposante [1]
(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 6 augustus 2025 in het geding tussen
opposante
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 6 augustus 2025 waarin deze rechtbank het beroep van opposante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een visum kort verblijf niet-ontvankelijk heeft verklaard.
2. De rechtbank heeft het verzet op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van opposante. Verweerder is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 6 augustus 2025 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
4. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat opposante geen beroepsgronden heeft vermeld in haar beroepsschrift. Opposante is in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen, maar zij heeft dit niet tijdig gedaan.
5. In haar verzetschrift voert opposante aan dat zij bij het indienen van haar beroepsgronden heeft toegelicht dat de beroepsgronden al op 7 april 2025 klaar waren, maar dat deze pas op 13 mei 2025 in het digitale dossier zijn geüpload. Zij heeft daarbij aangeboden om dit met bewijs te onderbouwen, maar daar is de rechtbank volgens opposante ten onrechte niet op ingegaan. In verzet legt opposante het eerder aangeboden bewijs over, bestaande uit een foto van het Document Management Systeem (DMS) en een verklaring van de directeur van het softwarebedrijf dat de datum in DMS niet kan worden gemanipuleerd. Dit toont volgens opposante aan dat de gronden op 7 april 2025 al waren geformuleerd. Opposante stelt daarnaast dat er ten onrechte geen belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 6:6 van Pro de Awb alvorens tot kennelijk niet-ontvankelijkverklaring is besloten en beroept zich daarbij onder meer op een (mondelinge) verzetuitspraak van deze rechtbank van 15 november 2023. [3]
6. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
7. In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Op grond van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb, kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro die wet of aan enig ander bij die wet gestelde vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Volgens artikel 2.4, derde lid, aanhef en onder c, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken, zoals dit destijds luidde en voor zover hier van belang, vindt niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb lid slechts plaats, indien dit verzuim niet verschoonbaar is.
8. Het staat vast dat opposante de gronden van haar beroep niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend. Een overschrijding van een dergelijke termijn leidt er, gelet ook op wat hiervoor is overwogen, in beginsel toe dat wordt geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is. Daartoe bestaan, uit een oogpunt van ordelijke procesvoering, ook goede redenen. Dit kan bijvoorbeeld anders zijn wanneer sprake is van een bijzonder samenstel van uitzonderlijke omstandigheden. [4] Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat wanneer iemand – zoals in dit geval – is bijgestaan door een professionele gemachtigde de lat hoger ligt dan bij iemand die zonder gemachtigde procedeert. [5]
9. Van bijzondere omstandigheden is in dit geval geen sprake. De rechtbank begrijpt dat er in een juridische praktijk soms iets mis kan gaan. Waar mensen werken, kunnen fouten worden gemaakt. Dit maakt echter niet dat het vergeten in te dienen van de beroepsgronden, ook al stelt opposante dat deze tijdig af waren, bijzonder is in voornoemde zin en niet voor rekening en risico van opposante mocht worden gelaten. Dat er, zoals opposante op zitting heeft aangevoerd, tijd zit tussen het indienen van beroep en het houden van de zitting, maakt dit oordeel niet anders. Het plannen van een zitting en de voorbereiding daarvan staan namelijk los van de beoordeling of een beroep ontvankelijk is.

Conclusie en gevolgen

10. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 6 augustus 2025. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
11. Opposante krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Awb.
3.NL23.11293 V.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1059, ov. 3.1. Vergelijk ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:374, ov. 4.3.