ECLI:NL:RBDHA:2026:452

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.39445
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit van een derdelander uit Oekraïne met betrekking tot de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en non-refoulement

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een beroep tegen een terugkeerbesluit dat aan eiser, een Nigeriaanse man die tijdelijk in Oekraïne verbleef, was opgelegd. Eiser had een asielaanvraag ingediend, die eerder was afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit niet voldoende was gemotiveerd, met name omdat verweerder niet had aangetoond dat er geen reëel risico op ernstige schade bestond bij terugkeer naar Nigeria. De rechtbank stelde vast dat de refoulementbeoordeling niet voldeed aan de vereisten van zorgvuldigheid en motivering, en vernietigde het bestreden besluit. Eiser had aangevoerd dat hij als christen in Nigeria vreest voor vervolging en dat zijn privéleven in Nederland onvoldoende was meegewogen. De rechtbank concludeerde dat het beroep gegrond was en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868. De uitspraak benadrukt de verplichtingen van de nationale autoriteiten onder de Terugkeerrichtlijn en het beginsel van non-refoulement.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39445

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. J.O. Isibor).

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1990 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf genoten op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [1]
2. Op 9 augustus 2022 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser bij besluit van 26 september 2024 afgewezen. Bij brief van 19 februari 2025 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij vanwege de bevriezingsmaatregel na beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming tijdelijk gebruik kon blijven maken van de rechten die aan de Richtlijn Tijdelijke Bescherming zijn verbonden zolang een relevante beroepsprocedure liep en dat deze brief in elk geval niet langer geldig zou zijn na 4 september 2025. In diezelfde brief is ook aangekondigd dat aan eiser, als hij geen ander verblijfsrecht of lopende aanvraag heeft, een (nieuw) terugkeerbesluit kan worden opgelegd. Bij uitspraak van 10 december 2024 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het door eiser ingestelde beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ongegrond verklaard. [2]
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, omdat zijn facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming is geëindigd per 4 maart 204 en hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw [3] of in het bezit is van een verblijfsvergunning. De door eiser gestelde vrees voor een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria en het beroep op artikel 8 van het EVRM [4] maken niet dat van het terugkeerbesluit moet worden afgezien. Verweerder verwijst daarbij naar de eerdere asielprocedure en wijst voor het beroep op artikel 8 van het EVRM op de mogelijkheid een reguliere aanvraag van een verblijfsvergunning in te dienen.
4. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en voert daartegen het volgende aan. Verweerder heeft bij het opleggen van het terugkeerbesluit onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat terugkeer naar Nigeria niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM, nu de veiligheidssituatie aldaar maakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser is namelijk christen en vreest voor vervolging, discriminatie en beperking van zijn godsdienstvrijheid. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een artikel van Amnesty International van 10 juli 2025. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met zijn privéleven in Nederland, nu dit had moeten leiden tot verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM dan wel tot het afzien van een terugkeerbesluit.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn [5] verplicht de bevoegde nationale autoriteiten om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. In het arrest Ararat [6] van 17 oktober 2024 heeft het Hof verduidelijkt dat dit meebrengt dat de nationale autoriteiten bij de vaststelling van een terugkeerbesluit een beoordeling moet verrichten of zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest. [7] Daarbij heeft het Hof ook overwogen dat een nationale praktijk op grond waarvan de eerbiediging van het beginsel van non-refoulement slechts kan worden onderzocht in het kader van een asielprocedure, in strijd is met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. Uit de uitspraak van de Afdeling [8] van 2 september 2025 volgt daarnaast dat op verweerder in dit verband een onderzoeksplicht rust en dat verweerder zich moet vergewissen dat een dergelijk reëel risico ontbreekt. [9]
6. In het voornemen is vermeld dat een geactualiseerde refoulementbeoordeling is verricht. In het bestreden besluit is na de ingediende zienswijze echter in essentie volstaan met een verwijzing naar eisers eerdere asielprocedure. Niet is kenbaar gemotiveerd op welke wijze verweerder de geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft verricht en op basis van welke (actuele) landeninformatie verweerder tot de conclusie is gekomen dat geen zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd evenmin kunnen toelichten welke bronnen of landeninformatie aan de gestelde actualisering ten grondslag liggen. De enkele verwijzing naar de eerdere asielprocedure en de mededeling dat niet is gebleken dat van het opleggen van een terugkeerbesluit moet worden afgezien, is daarom geen toereikende refoulementbeoordeling die berust op een kenbare motivering. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering.
7. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Gelet op de aard van het gebrek ziet de rechtbank geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
8. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat verweerder bij het nemen van een terugkeerbesluit niet hoeft te toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van het EVRM. [10] Voor zover eiser meent aanspraak te maken op verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM, ligt het op zijn weg daarvoor een reguliere aanvraag in te dienen.
9. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 (duizend achthonderdachtenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 12 januari 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens
bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
3.Vreemdelingenwet 2000.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Richtlijn 2008/115/EG.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.Zie de uitspraken van de Afdeling van 1 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2816 en 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2918.