ECLI:NL:RBDHA:2026:444
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen verlenging overdrachtstermijn asielaanvraag Kroatië
Eiser, een Palestijnse asielzoeker, diende in Nederland twee asielaanvragen in, waarvan de eerste onherroepelijk aan Kroatië werd toegewezen. Na overdracht aan Kroatië in april 2025, vroeg Nederland in juni 2025 opnieuw om terugname van eiser op grond van de Dublinverordening. Kroatië accepteerde dit verzoek, waarna Nederland de asielaanvraag niet in behandeling nam.
Eiser werd in oktober 2025 geregistreerd als 'met onbekende bestemming vertrokken', waarna de overdrachtstermijn werd verlengd. Eiser betwistte deze verlenging en stelde dat hij tijdelijk bij een vriend verbleef en niet ondergedoken was. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat COA op de hoogte was van zijn verblijfplaats en concludeerde dat hij doelbewust buiten bereik van de autoriteiten bleef om overdracht te voorkomen.
De rechtbank bevestigde het interstatelijk vertrouwensbeginsel en vond geen zwaarwegende aanwijzingen dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ondanks de door eiser aangevoerde persoonlijke ervaringen en het AIDA-rapport. Ook de medische situatie en familiebanden in Nederland boden geen grond om overdracht te weigeren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlenging van de overdrachtstermijn aan Kroatië wordt ongegrond verklaard.