Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het COA om hem te plaatsen in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen en tegen een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister. Dit volgde op een ernstig geweldsincident in augustus 2025 waarbij eiser een medebewoner met een scheermes verwondde.
De rechtbank oordeelde dat het incident terecht was gekwalificeerd als een incident met grote impact en dat het COA het plaatsingsbesluit correct had genomen. Eiser voerde aan dat het incident anders was verlopen en dat hij niet had gesneden, maar dit werd niet aannemelijk geacht. Ook stelde eiser dat hij geen zienswijze had kunnen geven op het incident zelf, maar de rechtbank stelde vast dat hij wel degelijk gelegenheid had gehad tot een toelichting.
Verder wees de rechtbank de stellingen van eiser af dat het COA geen actueel GZA-akkoord had en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank bevestigde dat het COA mocht uitgaan van het oude akkoord en dat gezien de ernst van het incident een lichtere maatregel niet passend was. Ook het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel werd ongegrond verklaard omdat deze maatregel steunde op het plaatsingsbesluit.
De rechtbank concludeerde dat het COA en de minister bevoegd waren de maatregelen te nemen, dat er geen sprake was van onrechtmatigheid of schending van het recht op privéleven, en dat eiser geen recht had op schadevergoeding of proceskostenvergoeding.