Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), het COa,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris,
Procesverloop
Overwegingen
vervoernaar de HTL. Gelet op het antwoord van GZA is slechts een ondubbelzinnig akkoord gegeven voor het vervoer naar de HTL. Het antwoord kan niet anders worden gelezen dan dat er vraagtekens worden geplaatst bij de plaatsing in de HTL. Van een ongeclausuleerd akkoord voor plaatsing is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dat wel sprake zou zijn van een akkoord met de plaatsing omdat GZA niet aangeeft dat eiser niet kan worden geplaatst volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat het COa, gelet op de vraagtekens die GZA plaatst bij de plaatsing van eiser in een HTL, nader onderzoek had moeten doen of dit inhoudt of sprake is van medische belemmeringen, zoals acute psychiatrische problematiek, die maken dat plaatsing van eiser in de HTL niet mogelijk is. De rechtbank acht in dat kader van belang dat het COa bekend was met eisers medische en psychiatrische geschiedenis. De stelling dat eiser nu zorg ontvangt in de HTL, zoals door het COa in rechtsoverweging 4 uiteen is gezet en ook ter zitting is toegelicht, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de plicht van het COa om voorafgaande aan de HTL-plaatsing zorgvuldig onderzoek te doen. De rechtbank concludeert dat het plaatsingsbesluit onzorgvuldig is voorbereid. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is gegrond. De rechtbank zal gelet op het voorgaande het plaatsingsbesluit vernietigen.
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit gegrond;
- vernietigt het plaatsingsbesluit;
- verklaart het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsbeperkende maatregel met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 725,-;
- veroordeelt het COa en de staatssecretaris ieder voor de helft in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.