Eiser, een vreemdeling van Gambiaanse nationaliteit, werd op 12 april 2024 door het COa geplaatst in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen na een incident waarbij hij een medewerker van Ammizorg fysiek zou hebben aangevallen. Tegelijkertijd legde de staatssecretaris een vrijheidsbeperkende maatregel op. Eiser stelde dat hij uit noodweer handelde en dat de strafzaak nog niet was afgerond. Ook voerde hij aan dat de maatregel disproportioneel was, mede vanwege zijn werk en persoonlijke omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat het COa aannemelijk had gemaakt dat het incident had plaatsgevonden en dat het gedrag van eiser ernstig was. Echter, het plaatsingsbesluit was onvoldoende gemotiveerd omdat het COa onvoldoende rekening had gehouden met de bijzondere omstandigheden van eiser, zoals zijn eerdere gedrag en werk. De vrijheidsbeperkende maatregel steunde volledig op het plaatsingsbesluit en werd daarom ook vernietigd.
De rechtbank stelde vast dat eiser onrechtmatig gedurende 34 dagen in zijn bewegingsvrijheid was beperkt en veroordeelde de Staat tot een schadevergoeding van €1.700,00. Tevens werden de proceskosten deels toegewezen. Tegen het plaatsingsbesluit staat hoger beroep open, tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet.