ECLI:NL:RBDHA:2026:4133

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
NL25.45420
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 2 onder g DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 behandeld en het onderzoek heropend voor medische informatie. Na ontvangst van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) en nadere standpunten is het onderzoek gesloten.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt, ondanks rapporten over problemen in Spanje. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door overdracht aan Spanje ernstige en onomkeerbare schade zal lijden. Haar psychische klachten en relatie met haar partner vormen geen bijzondere omstandigheden die overdracht onevenredig hard maken.

De rechtbank volgt het BMA-advies dat eiseres kan reizen en dat medische zorg in Spanje vergelijkbaar is. De minister hoefde geen verder onderzoek te doen. Het beroep wordt afgewezen en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45420

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, haar gemachtigde en de gemachtigde van de minister.
1.2.
De rechtbank heeft op 14 oktober 2025 het onderzoek heropend zodat de rechtbank de medische verklaring van de regiebehandelaar van eiseres kan meenemen in deze procedure. De minister heeft aangegeven dat hij gezien deze verklaring aanleiding ziet om de medische situatie van eiseres voor te leggen aan het Bureau Medische Advisering (BMA). De rechtbank heeft daarom de voorlopige voorziening toegewezen op 22 oktober 2025. [1] Het BMA-advies is op 2 januari 2026 verschenen. Op 5 januari 2026 heeft de minister een nader standpunt ingenomen en op 23 januari 2026 heeft eiseres hierop gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiseres betoogt dat er een vergewisplicht rust op de Nederlandse autoriteiten om na te gaan of er in Spanje voldoende mogelijkheden bestaan om een asielaanvraag in te dienen. Eiseres voert aan dat het door bureaucratische obstakels feitelijk onmogelijk is gemaakt voor vreemdelingen om een asielvraag in te dienen. Hierbij wordt verwezen naar het AIDA-rapport, [3] en de rapportage van VluchtelingenWerk Nederland van 30 mei 2024.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 27 juli 2023 geoordeeld dat de minister voor Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. [4] Dit heeft de Afdeling in haar uitspraak van 24 juni 2024 nogmaals bevestigd. [5] Hierbij heeft de Afdeling overwogen dat uit het AIDA-rapport update 2023 weliswaar volgt dat er problemen zijn met de toegang tot de asielprocedure, maar niet dat deze zodanig zijn dat sprake is van structurele tekortkomingen die de hoge drempel van zwaarwegendheid van artikel 3 van Pro het EVRM bereiken. De Afdeling is in de uitspraak van 24 juni 2024 ingegaan op de opvangomstandigheden in Spanje en heeft onder andere geoordeeld dat het AIDA-rapport update 2023 geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Spanje voor Dublinclaimanten dan de informatie waarover de Afdeling eerder heeft geoordeeld. Er is daarom geen reden voor het oordeel dat ten aanzien van Spanje niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verder merkt de minister terecht op dat eiseres geen asielverzoek heeft ingediend in Spanje en daarom geen ervaring heeft met de asielprocedure daar. Eiseres heeft immers twee dagen in Spanje verbleven en had niet de intentie om in Spanje te blijven. [6] Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat Dublinclaimanten na overdracht aan Spanje geen toegang (kunnen) krijgen tot de asielprocedure, de opvang of andere voorzieningen. Dat er een inbreukprocedure is gestart door de Europese Commissie in verband met tekortkomingen in Spanje, betekent niet dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij heeft de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten de gelegenheid gegeven om de gestelde gebrekkige implementatie van de Opvangrichtlijn te herstellen. Bovendien heeft Spanje het verzoek om overname van eiseres geaccepteerd en wordt hiermee gegarandeerd dat haar asielaanvraag in behandeling wordt genomen volgens internationale verplichtingen. Aangezien geen sprake is van concrete aanwijzingen, dan wel indicaties, dat Spanje zijn internationale verplichtingen niet nakomt, is de minister niet gehouden om nader onderzoek te doen.
Artikel 16 en Pro 17 van de Dublinverordening
6. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 16 of Pro 17 van de Dublinverordening. Eiseres heeft namelijk een relatie en woont samen met haar partner. Het betreft een duurzame relatie die reeds in het land van herkomst bestond, zoals bedoeld in artikel 2, onder g van de Dublinverordening. Zij kan niet gescheiden worden van haar partner, want dat zou psychische schade veroorzaken. In zoverre bestaat er een afhankelijkheidsrelatie tussen hen. [7] Dat eiseres psychische klachten heeft is onderbouwd met medische verslagen van haar regiebehandelaar. Het BMA beperkt zich ten onrechte enkel tot de vraag of eiseres kan reizen. In dit geval moet de vraag zijn of bij stopzetting van de behandeling en bij wegvallen van haar partner, ernstige schade bij eiseres zou kunnen ontstaan.
6.1.
Uit het arrest C.K. blijkt dat overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven als de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Het is vervolgens aan de minister om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. In het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, mag daarbij niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien. [8]
6.2.
Ter onderbouwing van haar betoog dat zij psychische klachten heeft, heeft eiseres twee medische verslagen van haar regiebehandelaar overgelegd. Hierin komt naar voren dat zij is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Zij ervaart nachtmerries, herbelevingen en angstklachten. Ook is er sprake van suïcidale gedachten. Eiseres ervaart haar partner als grote steun in haar dagelijks functioneren. Deze relatie heeft een stabiliserende invloed op haar psychische toestand. Voortzetting van behandeling in een stabiele en veilige omgeving, met behoud van haar huidige sociale en emotionele steun is medisch noodzakelijk. Onderbreking zal naar verwachting leiden tot een acute verslechtering van haar psychisch functioneren, aldus de regiebehandelaar van eiseres.
6.3.
In het BMA-advies van 2 januari 2026 zijn de klachten die hiervoor zijn beschreven opgenomen. Ook wordt opgemerkt dat in de voorgeschiedenis nooit sprake is geweest van psychotische ontregeling, suïcidepoging, opname in de geestelijk gezondheidszorg of andere crisissituatie. Eiseres staat onder actieve medische behandeling. Het BMA concludeert dat eiseres kan reizen en er geen aanwijzingen zijn dat enige medische voorziening noodzakelijk is. Wel wordt aanbevolen dat eiseres een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, om de medicatie tijdens de reis te continueren en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen.
6.4.
Ten aanzien van de verwijzingen in de gronden naar artikel 2, aanhef en onder g, alsmede artikel 16 van Pro de Dublinverordening overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat hij geen toepassing hoeft te geven aan artikel 16 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft immers terecht overwogen dat eiseres en haar partner geen personen zijn zoals genoemd in het artikel. De grond slaagt in zoverre dus niet.
6.5.
De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat er geen aanleiding is om de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid genoemd in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister geeft onder meer toepassing aan dit artikel als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt. Het aanwezig zijn van een partner in Nederland, waaraan eiseres gehecht is geraakt, is op zich geen aanleiding om de asielaanvraag van eiseres op te nemen in de nationale procedure. De Dublinverordening is er weliswaar op gericht om waarborgen te bieden voor gezinsleden, maar verplicht de minister niet om in het geval van een familie- of gezinsband die buiten de bescherming van de artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van Dublinverordening valt, een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. [9] De Dublinverordening is immers niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen. [10] De verklaringen van eiseres en haar partner dat er sprake is van een serieuze relatie, de ingediende foto’s en correspondentie, alsmede de brief van de huisarts zijn, zoals de minister ook ter zitting heeft gesteld, niet voldoende om het bestaan van een duurzame relatie te onderbouwen. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiseres aangevoerde relatie niet is aan te merken als een bijzondere individuele omstandigheid die maakt dat overdracht naar Spanje onevenredig hard zou zijn. De grond slaagt ook in zoverre niet.
6.6.
Ten aanzien van de gevolgen van de overdracht voor de gezondheidstoestand van eiseres overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is met eiseres van oordeel dat het BMA-advies zich beperkt tot de vraag of eiseres kan reizen. De klacht slaagt echter niet omdat op de minister naar het oordeel van de rechtbank geen (verdere) onderzoeksplicht lag. Hoewel eiseres psychische klachten heeft, heeft zij niet met voldoende objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat de overdracht aan Spanje tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van haar gezondheidstoestand zal leiden. Eisers heeft verwezen naar het verslag van de regiebehandelaar. In dat verslag staat dat eiseres aangeeft dat zij afhankelijk is van haar partner, dat haar partner voor haar een beschermende en steunende functie heeft en dat de relatie een stabiliserende invloed op haar heeft, maar uit het verslag blijkt niet dat en waarom een terugkeer naar Spanje (zonder partner) tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang zal leiden. Weliswaar staat in het verslag dat een terugkeer zonder partner zal leiden tot een ernstige verslechtering van haar psychische toestand een verhoogd risico op suïcidaliteit, maar ook die constatering kan niet tot de conclusie leiden dat sprake zal zijn van een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang, nog daargelaten dat uit het verslag niet kan worden opgemaakt hoe de regiebehandelaar tot deze conclusie is gekomen. Dat klemt temeer omdat uit het door de minister opgevraagde BMA-advies volgt dat in de voorgeschiedenis van eiseres nooit sprake is geweest van psychotische ontregeling, suïcidepoging, opname in de geestelijke gezondheidszorg of andere crisissituatie. Uit het BMA-advies blijkt verder dat zij kan reizen en gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan ervan uit worden gegaan dat de medische zorg in Spanje vergelijkbaar zal zijn met die in Nederland. Gelet op voorgaande heeft de minister in het door eiseres overgelegde verslag van de regiebehandelaar, geen reden hoeven zien om verder onderzoek te doen naar de gevolgen van de overdracht naar Spanje voor eiseres. De minister heeft om hem moverende redenen wel het BMA-advies aangevraagd en heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank mogen volstaan.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer: NL25.45421.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.AIDA-rapport Country Report: Spanje 2023 update van 31 mei 2024.
4.ABRvS 27 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2880.
5.ABRvS 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548. Zie ook ABRvS 6 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2008.
6.Pagina 6 van het aanmeldgehoor Dublin.
7.Eiseres verwijst hierbij naar een verklaring van de partner van eiseres en een verklaring van de maatschappelijk begeleider van Vluchtelingenwerk van 17 januari 2026.
8.Hof van Justitie 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127 (
9.ABRvS 25 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2385.
10.Zie bijvoorbeeld: ABRvS 1 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:74, DATUM KLOPT NIET en 8 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1765.