ECLI:NL:RVS:2016:2385
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat geen aanleiding bestaat om asielaanvraag op grond van Dublinverordening in Nederland te behandelen
De vreemdeling diende op 17 december 2015 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris wees de aanvraag af en hield Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling op basis van artikel 12 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank vernietigde dit besluit omdat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met humanitaire aspecten en de eenheid van het gezin.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat het enkele bestaan van een gezinsband onvoldoende is om de behandeling van de aanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Hij voerde aan dat de echtgenote en het kind van de vreemdeling als EU-burgers vrij kunnen reizen en dat de gezinsleden niet zonder meer gescheiden zullen worden.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op dit standpunt kon stellen en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering rechtvaardigen. De grief van de staatssecretaris slaagde, het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 25 augustus 2016.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris gehandhaafd.