ECLI:NL:RBDHA:2026:3844
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing mvv-aanvraag als familie- of gezinslid bij broer
Eiser, een Eritrese jongvolwassene, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij zijn broer in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat het jongvolwassenenbeleid niet op eiser van toepassing zou zijn en er geen bijkomende afhankelijkheid tussen eiser en zijn ouders zou bestaan. Eiser voerde aan dat het jongvolwassenenbeleid wel van toepassing is, dat er wel afhankelijkheid bestaat en dat de belangenafweging onjuist was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met het gedwongen vertrek van eiser uit Eritrea vanwege de dienstplicht, wat een motiveringsgebrek opleverde. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat verweerder in het verweerschrift alsnog voldoende had gemotiveerd dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn ouders.
Verder vond de rechtbank dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet onjuist was en dat de hoorplicht niet was geschonden. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de afwijzing bleef gehandhaafd. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Beroep gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, besluit vernietigd maar afwijzing mvv-aanvraag blijft gehandhaafd.