ECLI:NL:RBDHA:2026:3844

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.43004
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing mvv-aanvraag als familie- of gezinslid bij broer

Eiser, een Eritrese jongvolwassene, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij zijn broer in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat het jongvolwassenenbeleid niet op eiser van toepassing zou zijn en er geen bijkomende afhankelijkheid tussen eiser en zijn ouders zou bestaan. Eiser voerde aan dat het jongvolwassenenbeleid wel van toepassing is, dat er wel afhankelijkheid bestaat en dat de belangenafweging onjuist was.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met het gedwongen vertrek van eiser uit Eritrea vanwege de dienstplicht, wat een motiveringsgebrek opleverde. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat verweerder in het verweerschrift alsnog voldoende had gemotiveerd dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en zijn ouders.

Verder vond de rechtbank dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet onjuist was en dat de hoorplicht niet was geschonden. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de afwijzing bleef gehandhaafd. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Beroep gegrond verklaard wegens motiveringsgebrek, besluit vernietigd maar afwijzing mvv-aanvraag blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43004

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. van Boheemen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiser, A. Cherradi als tolk, en de gemachtigde van verweerder. Ook was de mentor van eiser bij de zitting aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2002. Namens eiser is op 11 augustus 2022 een mvv aangevraagd omdat hij in Nederland wil verblijven bij zijn broer, [referent] (referent). Referent verblijft sinds eind 2021 in Nederland met een asielvergunning.
2.1.
Ook voor de andere gezinsleden van eiser en referent zijn mvv’s aangevraagd. Het gaat om de ouders en het zusje van eiser en referent. Deze aanvragen heeft verweerder ingewilligd en de gezinsleden zijn inmiddels in Nederland.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen om de volgende redenen. Het jongvolwassenenbeleid is niet op eiser van toepassing en tussen eiser en zijn ouders zijn geen bijkomende elementen van afhankelijkheid aanwezig. Verweerder neemt daarom geen familie- en gezinsleven aan in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen eiser en zijn ouders. Verweerder heeft wel aangenomen dat sprake is van gezinsleven tussen eiser, referent en hun zusje. De belangenafweging die verweerder daarom heeft gemaakt, is echter in het nadeel van eiser uitgevallen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Allereerst is het jongvolwassenenbeleid wel op eiser van toepassing. Dat eiser beperkt stappen naar zelfstandigheid heeft gezet, doet hier niet aan af en de gezinsleden zijn onderling financieel afhankelijk. De gezinsband is niet verbroken alleen omdat eiser gescheiden is geraakt van het gezin. [1] Als de gezinsband is verbroken, is deze weer hersteld toen eiser weer bij het gezin is komen wonen. [2] Daarnaast zijn er wel bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eisers banden met Nederland zijn nu sterker dan met het land van herkomst vanwege de aanwezigheid van zijn gezin. Ook houdt de gemaakte belangenafweging geen stand, omdat verweerder hierin ook de asielgerelateerde omstandigheden mee moest nemen. [3] Het gezinsleven kan naast in Eritrea, ook niet in Egypte worden uitgeoefend, omdat eiser daar geen verblijfsvergunning heeft. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dat betekent dat eiser deels gelijk krijgt, maar dat de afwijzing van zijn aanvraag blijft staan. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
6. Verweerder gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. [4] Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt verweerder of er tussen dat kind en zijn ouder(s) sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op basis waarvan zij familie- of gezinsleven hebben. Deze elementen kunnen zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van betrokkenen.
7. Ter zitting is duidelijk geworden dat partijen het erover eens zijn dat eiser zeker vier jaar zelfstandig in Soedan heeft gewoond. Ook is niet in geschil dat eiser Eritrea noodgedwongen heeft verlaten vanwege de dienstplicht. Wel in geschil is of verweerder in de besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met de gedwongen aard van eisers vertrek.
8. Met betrekking tot het gedwongen vertrek van eiser uit Eritrea, heeft verweerder in het bestreden besluit (slechts) opgenomen: ‘Dat [eiser] volgens [referent] Eritrea heeft verlaten wegens de dienstplicht is een asielgerelateerde omstandigheid en wordt niet meegewogen in de vraag of sprake is van het jongvolwassenenbeleid dan wel bijkomende elementen van afhankelijkheid.’ Naar het oordeel van de rechtbank houdt deze passage uit het bestreden besluit geen stand. Uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt namelijk dat verweerder bij de vaststelling van familie- en gezinsleven alle relevante feiten en omstandigheden moet betrekken. [5] Daaronder valt in het geval van eiser ook het gegeven dat hij gedwongen was Eritrea te verlaten vanwege de dienstplicht, nu dit is aangevoerd als aanleiding voor het voorzien in het eigen onderhoud. Dat verweerder deze omstandigheid niet heeft betrokken bij het beoordelen van het familie- en gezinsleven, is naar het oordeel van de rechtbank een gebrek in het bestreden besluit.
9. De rechtbank ziet aanleiding om – ondanks het hiervoor geconstateerde gebrek – de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten op grond van het volgende. [6] In het verweerschrift heeft verweerder zich alsnog op het standpunt gesteld dat beoordeeld moet worden of eiser zich ondanks zijn noodgedwongen vertrek zelfstandig heeft kunnen handhaven. Verweerder heeft er vervolgens op gewezen dat eiser geruime tijd zonder zijn ouders en referent heeft gewoond en in zijn eigen inkomen heeft voorzien. Ook is niet gebleken dat eiser bij zijn tante is gaan wonen omdat hij zich niet zelfstandig kon handhaven. Anders dan de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft betoogd, is dit niet aan te merken als een nadere toelichting van een standpunt dat al in de besluitvorming was ingenomen. Wel heeft verweerder met het verweerschrift alsnog voldoende gemotiveerd dat, ook ondanks de vlucht van eiser, geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen hem en zijn ouders. Verweerder hoefde ook niet te concluderen dat de gezinsband weer is hersteld in de zin van het jongvolwassenenbeleid, omdat eiser en het gezin weer bij elkaar zijn gekomen in het kader van de lopende nareisprocedure en niet is gebleken dat hier meespeelde dat eiser zich niet (meer) zonder zijn ouders kon handhaven.
10. Wat betreft de bijkomende elementen van afhankelijkheid, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken dat de gedwongen aard van eisers vertrek invloed heeft op de afhankelijkheid tussen de gezinsleden. Ook heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid op praktisch, financieel of medisch gebied. Hoewel het begrijpelijk is dat eiser graag bij zijn gezin wil verblijven, ziet de rechtbank geen aanleiding voor de conclusie dat tussen hen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan.
11. In het kader van de gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel, zoals eiser heeft betoogd, uit Werkinstructie 2020/16 van verweerder volgt dat in bepaalde gevallen rekening moet worden gehouden met asielgerelateerde omstandigheden, maakt dat in deze zaak niet dat de belangenafweging in het voordeel van eiser uit moest vallen. Verweerder heeft namelijk al aangenomen dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Eritrea uit te oefenen vanwege het gedwongen vertrek van referent. Dat ook eiser niet terug zou kunnen keren naar Eritrea, zou de belangenafweging om die reden niet anders maken. Dat het gezinsleven ook niet elders kan worden uitgeoefend, is niet gebleken. Nu eiser geen andere belangen heeft benoemd die onvoldoende zijn meegenomen, oordeelt de rechtbank dat verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen.
De hoorplicht
12. Tot slot volgt de rechtbank het standpunt van eiser niet dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Van het horen in bezwaar mag pas worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en de inhoud van de gronden van het bezwaar van eiseres, mocht verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en afzien van het horen. De rechtbank neemt hierin mee dat verweerder met de besluitvorming en het verweerschrift samen, alle relevante omstandigheden deugdelijk heeft beoordeeld en in die omstandigheden geen aanleiding hoefde te zien om te horen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank vernietigt het besluit, maar ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag blijft staan.
14. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat eiser is vrijgesteld van het griffierecht, hoeft verweerder dit niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 27 februari 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:2133).
2.Eiser verwijst naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4630 en ECLI:NL:RVS:2024:4631).
3.Eiser verwijst naar Werkinstructie 2020/16 van verweerder ‘Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro.’
4.Zie paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2145 en ECLI:NL:RVS:2024:2146)
6.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a van de Awb.