Overwegingen
1. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.1
1. Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Heeft eiser een geldige ingebrekestelling ingediend?
2. Eiser heeft de minister op 18 juni 2025 langs elektronische weg in gebreke gesteld. De minister stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat de ingebrekestelling niet geldig is. De minister voert daartoe aan dat eiser de ingebrekestelling heeft verstuurd via ‘veilig mailen’ naar het e-mailadres
[e-mailadres 1]. Aldus heeft eiser niet de juiste en voorgeschreven procedure gevolgd. De ingebrekestelling had namelijk verstuurd moeten worden naar het e-mailadres
[e-mailadres 2]. De minister voert verder aan dat eiser de ingebrekestelling niet (nogmaals) per post of naar het juiste emailadres heeft verstuurd. De minister verwijst naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 26 januari 20242 en een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 11 november 2025.3
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de ingebrekestelling niet overeenkomstig de door de minister gewenste wijze heeft ingediend. Eiser heeft de ingebrekestelling namelijk via ‘veilig mailen’ verstuurd naar het e-mailadres
[e-mailadres 1]en niet naar het emailadres
[e-mailadres 2]. Het weigeren van een elektronisch ingediend stuk is mogelijk op grond van artikel 2:15, vierde lid, van de Awb.4 Zo’n weigering moet ondubbelzinnig zijn. Daarvan is hier geen sprake, alleen al vanwege het feit dat de minister bij brief van 25 juni 2025 expliciet de ontvangst van de ingebrekestelling aan eiser heeft bevestigd. De minister heeft in de ontvangstbevestiging niet vermeld dát de ingebrekestelling van 18 juni 2025 daadwerkelijk ongeldig was. De minister heeft eiser slechts in algemene termen geïnformeerd over de procedure voor het indienen van een ingebrekestelling langs elektronische weg. De minister laat het aan eiser om zelf na te gaan of hij de ingebrekestelling volgens de juiste procedure heeft ingediend. Dit is anders dan in de zaak die bij de CRvB speelde; daar had het bestuursorgaan onmiddellijk een ondubbelzinnige weigering verzonden. In het geval van eiser heeft de minister echter onderkend dat de e-mail van eiser van 18 juni 2025 een ingebrekestelling betrof. Naar het oordeel van de rechtbank dient het dan geen redelijk doel meer om van eiser te verlangen dat hij de ingebrekestelling (nogmaals) via een ander e-mailadres of per post indient en wanneer eiser dat niet doet, de minister de ingebrekestelling dan ‘ongeldig verklaart’ en niet in behandeling neemt.
4. De rechtbank komt tot het oordeel dat de ingebrekestelling van 18 juni 2025 niet is geweigerd en onderdeel uitmaakt van het dossier. Er is ook geen reden waarom deze ongeldig zou zijn. Deze zittingsplaats oordeelt over dit onderwerp dus anders dan de zittingsplaats Arnhem in de uitspraak waarnaar verweerder heeft verwezen.
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
5. Sinds 27 januari 2023 is het besluit met kenmerk WBV 2023/3 van kracht.5 Dit besluit heeft onder meer tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2023 tot 1 januari 2024 met negen maanden zijn verlengd. De aanvraag van eiser valt onder de werking van WBV 2023/3. Verder geldt dat eiser uit Syrië komt. Met ingang van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025 gold voor Syrië een besluitmoratorium. Gedurende de tijd dat het besluitmoratorium van kracht was, besliste de minister niet op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land. De beslistermijn voor asielaanvragen die vóór of tijdens de werking van het besluitmoratorium werden ontvangen, is verlengd met één jaar tot ten hoogste 21 maanden.
4 Zoals dit artikel luidde op 25 juni 2025. Thans is eenzelfde bepaling opgenomen in het
derde
5 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
6. Op grond van deze bepalingen stelt de minister zich op het standpunt dat hij uiterlijk op 10 augustus 2025 diende te beslissen op de aanvraag van eiser. De minister voert daartoe aan dat hij in beginsel zes maanden de tijd heeft om op de aanvraag te beslissen.6 Onder toepassing van WBV 2023/3 is de beslistermijn met negen maanden verlengd.7 Onder toepassing van het besluitmoratorium is de beslistermijn nogmaals verlengd en wel met één jaar. De totale beslistermijn mag evenwel de periode van 21 maanden niet overschrijden, te rekenen vanaf 10 november 2023. Dat maakt dus dat de minister uiterlijk op 10 augustus 2025 op de aanvraag had moeten beslissen. De ingebrekestelling van 18 juni 2025 is dus prematuur. Het beroep van eiser is daarmee niet-ontvankelijk, aldus de minister.
7. Eiser betwist dat zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser vindt daarom dat de minister met WBV 2023/3 ten onrechte de beslistermijn met negen maanden heeft verlengd. Volgens eiser diende de minister uiterlijk op 10 november 2024 op de aanvraag te beslissen (10 november 2023 + zes maanden beslistermijn + zes maanden op grond van het besluitmoratorium). Dit maakt volgens eiser dat hij de ingebrekestelling van 18 juni 2025 na het verstrijken van de beslistermijn heeft ingediend. De ingebrekestelling is volgens hem dus niet prematuur. Eiser verzoekt de rechtbank het beroep gegrond te verklaren, de minister op te dragen om binnen twee weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen en hieraan een rechterlijke dwangsom te verbinden.
8. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de verlenging van de beslistermijn met negen maanden op grond van WBV 2023/3 rechtmatig is. In haar uitspraak van 16 februari 2024 heeft deze zittingsplaats van de rechtbank geoordeeld dat dat het geval is.8 Volgens de rechtbank had de minister voldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde van de inwerkingtreding van WBV 2023/3 sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
9. De rechtbank verlaat met deze uitspraak de lijn van deze zittingsplaats van 16 februari 2024. Zij oordeelt nu dat de verlenging van de beslistermijn met WBV 2023/3 in strijd is met artikel 31, derde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.9 De minister heeft de beslistermijn dus ten onrechte met negen maanden verlengd. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
10. Uit het arrest van 8 mei 2025 van het Hof van Justitie van de Europese Unie10 (het Hof) vloeit voort dat de minister de beslistermijn kan verlengen, als het aantal asielverzoeken in een kort tijdsbestek aanzienlijk toeneemt ten opzichte van het in Nederland gebruikelijke en voorzienbare patroon. Een situatie van een geleidelijke toename van het aantal verzoeken over een lange periode valt hier dus niet onder. Verder mag de praktische moeilijkheid om binnen zes maanden op een aanvraag te beslissen, niet veroorzaakt worden door andere omstandigheden dan het grote aantal tegelijk ingediende verzoeken. Omstandigheden als een al bestaande aanzienlijke hoeveelheid niet-behandelde asielverzoeken of personele tekorten bij de IND kunnen niet dragend zijn voor een verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
6 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
7 Artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.
10 ECLI:EU:C:2025:326 (het arrest Zimir).
11. De minister heeft er op gewezen dat het Hof met het arrest Zimir prejudiciële vragen heeft beantwoord die betrekking hadden op WBV 2022/2211 en niet op WBV 2023/3. Met de minister stelt de rechtbank vast dat de prejudiciële vragen die inzake WBV 2023/3 zijn gesteld, nog niet zijn beantwoord.12 Hierin ziet de rechtbank geen reden om de algemene uitgangspunten die het Hof geeft in het arrest Zimir niet op deze zaak toe te passen.
12. Het is aan de minister om aan te tonen dat zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Als de minister, zoals in dit geval, beleid vaststelt waarmee hij toepassing geeft aan deze mogelijkheid, dan moeten de redenen voor de verlenging van de beslistermijn uit (de toelichting van) dat beleid blijken. Een latere aanvulling van die toelichting, zoals in deze zaak met de twee ingediende verweerschriften kennelijk door de minister is beoogd, is in beginsel niet van belang voor het oordeel over de rechtmatigheid van de verlenging.
13. De onderbouwing van WBV 2023/3 bestaat uit twee onderdelen. In de eerste plaats wordt verwezen naar WBV 2022/22. In de tweede plaats wordt verwezen naar de Kamerbrief van 3 februari 2023.13 In die beide documenten ontbreekt een vergelijkende analyse van cijfergegevens14 waaruit blijkt dat het aantal asielverzoeken binnen een kort tijdsbestek aanzienlijk is toegenomen ten opzichte van een gebruikelijk en voorzienbaar patroon. Hoewel daarmee al vast staat dat de toelichting bij WBV 2023/3 ontoereikend is, merkt de rechtbank verder op dat ook een analyse ontbreekt waaruit blijkt dat het feitelijk onmogelijk was om tijdig maatregelen te treffen om voldoende capaciteit te hebben om de hoge instroom van asielaanvragen te behandelen. Zo blijkt uit de toelichting niet welke besliscapaciteit de IND normaal gesproken heeft, wat de (gestelde) stijging van het aantal aanvragen vergt in termen van aantallen aan te werven hoor- en beslisambtenaren en hoe lang de opleiding van die nieuwe medewerkers in beslag neemt. Met andere woorden: niet is toegelicht wanneer de capaciteit op orde kan zijn. Ook blijkt niet waaruit de inspanningen om de besliscapaciteit uit te breiden precies bestaan of bestonden.
14. Het is evident dat de bestaande voorraad asielaanvragen (‘achterstanden’) een belangrijke rol speelde bij de beslissing om met WBV 2023/3 de beslistermijn voor asielaanvragen te verlengen. Er was daarnaast weliswaar sprake van een instroom die de besliscapaciteit van de IND oversteeg en ook van een prognose die geen daling liet zien, maar
nietvan een duidelijke plotseling toename in de aantallen. Dat de instroom vanaf medio 2021 steeg ten opzichte van het begin van de coronapandemie mag zo zijn, maar dat is in tijd te ver verwijderd van de in aanmerking te nemen periode voor de beoordeling van WBV 2023/3.
11 Staatscourant 2022, 25775.
13 Kamerstukken, 19637, nr 4426794.
14 Vergelijk ro. 38 van het arrest Zimir.
Daarin ligt geen situatie besloten zoals bedoeld in artikel 31, derde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.
15. Illustratief acht de rechtbank nog de volgende grafiek, die onderdeel is van één van de bijlagen15 bij het verweerschrift van 22 januari 2026, getiteld
Cumulative development of total asylum applications in The Netherlands. De rechtbank merkt hierover op dat de grafiek het aantal asielaanvragen (y-as) afgezet over de tijd (x-as) laat zien in de vorm van een lineaire vergelijking. De twee lijnen (geel, blauw) vertegenwoordigen de jaren 2022, 2023. De rechte lijn van de grafiek duidt op een (tamelijk) constante stroom van asielaanvragen gedurende de in de grafiek vermelde periode van twee jaar. Nergens op de lijnen is een duidelijke verandering van de hellingshoek van de lijn te zien die zou duiden op een plotselinge verandering van de instroomsnelheid. Uit de projectie van de verschillende jaren (de lijnen vallen nagenoeg ‘over elkaar’; er is geen verschuiving op de y-as) blijkt dat er ook geen groot onderling verschil is tussen de jaren 2022 en 2023. De grafiek bevestigt in zoverre het beeld, dat juist géén sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 31, derde lid, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn.
16. De rechtbank komt tot de slotsom dat de omstandigheden die de minister aan de verlenging van de beslistermijn door middel van WBV 2023/3 ten grondslag heeft gelegd, niet voldoen aan de in het arrest Zimir genoemde voorwaarde dat zo’n verlenging alleen mogelijk is als sprake is van een situatie waarin in een kort tijdsbestek het aantal asielaanvragen aanzienlijk toeneemt. De rechtbank acht WBV 2023/3 in zoverre dan ook onrechtmatig.
17. Het voorgaande betekent dat de rechtbank bij de berekening van de beslistermijn WBV 2023/3 buiten toepassing laat. Dat betekent dat de minister in beginsel binnen zes maanden na indiening op de aanvraag van eiser had moeten beslissen. Vanwege het besluitmoratorium is deze termijn verlengd en geëindigd op 14 juni 2025. De ingebrekestelling van 18 juni 2025 is dus niet prematuur ingediend. Het beroep is gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
18. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.16 In dit geval is dat aan de orde.
15 Asylum Trends, Monthly Report on Asylum Applications in The Netherlands, January 2024, pagina 4, te raadplegen via: [internetsite] .
19. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.17 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond inmiddels is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser wel is gehoord omtrent zijn asielmotieven en de minister nog geen vervolgactie heeft ondernomen. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
20. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.18 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
21. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen zes weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, verbeurt hij een dwangsom.
22. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. In afwijking van het uitgangspunt dat in beroepen over het niet tijdig beslissen wegingsfactor 0,5 wordt gehanteerd, hanteert de rechtbank in deze zaak een wegingsfactor van 1 (gemiddeld). Dit omdat de aan de orde zijnde rechtsvraag met betrekking tot het verlengen van de beslistermijn en de duiding van het arrest Zimir niet van eenvoudige aard is. Toegekend wordt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-).
16 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
18 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.