ECLI:NL:RBDHA:2026:3690

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
NL 23.34216
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 31 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 23/32/EUArtikel 16 Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering homoseksuele geaardheid

Eiser, van Egyptische nationaliteit, diende op 8 januari 2019 een asielaanvraag in met het argument van zijn homoseksuele geaardheid. De minister wees de aanvraag meerdere malen af, waarbij hij de geloofwaardigheid van eisers seksuele gerichtheid betwijfelde. De rechtbank vernietigde eerder een besluit van 11 november 2021 wegens onvoldoende motivering en gaf de minister opdracht tot een nieuwe beoordeling.

In het bestreden besluit van 6 oktober 2023 wees de minister de aanvraag opnieuw af en legde een inreisverbod en terugkeerbesluit op. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, waaronder zijn culturele achtergrond en persoonlijke omstandigheden. Tevens mocht de minister niet meer aanvoeren dat eiser zijn homoseksualiteit aanvankelijk ontkende.

De rechtbank stelt dat de minister de verklaringen van eiser niet integraal en in onderlinge samenhang heeft beoordeeld, en dat de motivering van het besluit ondeugdelijk is. De minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen, waarbij alle relevante feiten, omstandigheden en culturele context worden betrokken. Tevens wordt een dwangsom opgelegd bij overschrijding van deze termijn en worden proceskosten aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.34216
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1982, van Egyptische nationaliteit, eiser,
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna te noemen: de minister,

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 8 januari 2019 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiser is op 9 januari 2019, 3 december 2020 en 7 december 2020 over zijn asielaanvraag gehoord. Naar aanleiding van hetgeen in de zienswijze is gesteld is eiser op 18 mei 2021 en 2 september 2021 aanvullend gehoord.
1.2.
De aanvraag is met het besluit van 11 november 2021 in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond [1] . Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.3.
Deze rechtbank heeft met de uitspraak van 25 juli 2022 [2] het beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 november 2021 vernietigd en de minister opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van die uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op de asielaanvraag van eiser, met inachtneming van die uitspraak.
1.4.
De minister heeft op 17 januari 2023 een nieuw besluit genomen waarin de asielaanvraag van eiser opnieuw als ongegrond is afgewezen. Eiser heeft daartegen beroep ingediend.
1.5.
Op 15 juni 2023 heeft minister het besluit van 17 januari 2023 ingetrokken. De minister heeft de asielaanvraag van eiser met het besluit van 6 oktober 2023 (het bestreden besluit) wederom afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eiser een inreisverbod voor twee jaar opgelegd en een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer I.A.I Abwelfattah als tolk in de taal Egyptisch-Arabisch en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Het asielrelaas

2. Eiser heeft het volgende aan zijn eerste asielrelaas ten grondslag gelegd. Eiser heeft een verblijfsvergunning gekregen voor de Verenigde Arabische Emiraten om zogenaamd te gaan werken voor een bedrijf. Eiser moest daarvoor een creditcard aanvragen die hij moest afgeven aan dit bedrijf waar eiser 15.000 dirham op moest zetten als commissie voor de verblijfsvergunning. Eiser is vanaf december 2016 in de Verenigde Arabische Emiraten gaan werken voor [persoon 1] . [persoon 1] is invalide. Eiser werd de chauffeur en begeleider van [persoon 1] . Op enig moment vroeg [persoon 1] dingen aan eiser waaruit eiser begreep dat [persoon 1] homoseksueel was. [persoon 1] vroeg eiser hem te behandelen als een vrouw, maar eiser verklaart dat hij dat niet wilde. Op 2 september 2017 is eiser definitief teruggegaan naar Egypte. Hij werd daar elke dag door [persoon 1] gebeld die niet accepteerde dat eiser niet terugkwam naar de Verenigde Arabische Emiraten. Eiser stelt hierdoor in de problemen te zijn gekomen in Egypte.
2.1.
In de zienswijzen van 19 maart 2021 en 6 april 2021 verklaart eiser homoseksueel te zijn. Eiser verklaart dat hij de seksuele avances van [persoon 1] niet heeft afgewezen zoals hij eerder heeft verklaard. Eiser verklaart in het nader gehoor van 18 mei 2021 en 2 september 2021 samengevat het volgende over zijn homoseksuele geaardheid. Eiser verklaart dat hij zich door gesprekken met zijn neef [persoon 2] bewust is geworden van zijn seksuele geaardheid en dat [persoon 2] hem heeft geholpen met zichzelf te accepteren. Eiser verklaart dat hij gevoelens voor [persoon 2] kreeg, intiem met hem is geweest en een relatie met hem heeft gekregen. Eiser verklaart verder dat hij bang was om met iemand over zijn seksuele geaardheid te praten. Hij heeft in Egypte in een lange periode van angst geleefd die altijd aanwezig was als gevolg van problemen en mishandelingen die hij daar heeft meegemaakt.

Het oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 25 juli 2022

3. De rechtbank heeft het besluit van 11 november 2021 [3] vernietigd met de volgende motivering:
De homoseksuele geaardheid van eiser

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser zijn homoseksuele geaardheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Dit oordeel zal nader toegelicht worden in de volgende paragrafen.

Fantasieën
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat eiser niet gedetailleerd genoeg kon verklaren over de fantasieën die hij heeft gehad vanaf ongeveer zijn 8ste levensjaar en dat eiser alleen heeft aangegeven dat hij blij was in die fantasieën. De rechtbank overweegt dat het onduidelijk is op welke manier verweerder rekening heeft gehouden met de jonge leeftijd van eiser ten tijde van zijn ontluikende homoseksuele geaardheid.
Relaties
5.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser over zijn relaties te algemeen van aard zijn en dat eisers verhaal niet voldoende persoonlijk is. Zo heeft eiser verklaard hoe de relatie met [persoon 2] ontstond, hoe eiser zich voelde tijdens de relatie en hoe hij invulling gaf aan de relatie met [persoon 2] . Ook heeft eiser verklaard hoe hij zich voelde toen hij een relatie begon met [persoon 3] , hoe hij [persoon 3] heeft ontmoet, hoe hij erachter kwam dat [persoon 3] in hem geïnteresseerd was en wat [persoon 3] voor hem betekend heeft.
Tweemaal een huwelijk aangaan met een vrouw
5.3.
De rechtbank overweegt dat verweerder niet deugdelijk gemotiveerd heeft dat eiser onvoldoende verklaard heeft over waarom hij tweemaal in het huwelijk is getreden met een vrouw. Zo heeft eiser verklaard dat hij is getrouwd omdat hij zijn geaardheid wilde camoufleren, omdat het zou opvallen als hij lang ongetrouwd zou blijven maar wel veel met [persoon 2] zou blijven omgaan. Verder heeft hij verklaard dat hij een kinderwens had en dat hij wilde dat zijn tweede vrouw voor zijn moeder zou zorgen. De rechtbank overweegt verder dat verweerder niet voldoende gemotiveerd heeft dat het niet aannemelijk is dat eiser voor de tweede keer in het huwelijk zou treden omdat hij zijn tweede vrouw voor zijn moeder wilde laten zorgen. De rechtbank betrekt daarbij het betoog van eiser dat hij geen hulp van zorgmedewerkers zou kunnen hebben ingeschakeld, omdat het moeilijk is om ouderenzorg in Egypte te krijgen. Verweerder heeft op dit punt naar een rapport verwezen waaruit blijkt dat er faciliteiten voor ouderen aanwezig zijn. Eiser heeft gesteld dat uit dit rapport weliswaar volgt dat in [adres] tehuizen voor ouderen bestaan, maar dat [plaats] vijf miljoen inwoners heeft en dat uit dit rapport ook blijkt dat de zorg voor ouderen een probleem is in Egypte.
6. Reeds gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het besluit niet deugdelijk gemotiveerd is, voor zover de homoseksuele geaardheid van eiser ongeloofwaardig is geacht. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet geen aanleiding om in te gaan op de andere beroepsgronden. Verweerder zal de integrale beoordeling opnieuw moeten verrichten.”

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de asielaanvraag van eiser met het bestreden besluit opnieuw beoordeeld aan de hand van de verklaringen van eiser. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende relevante elementen:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • homoseksuele gerichtheid;
  • problemen als gevolg van zijn homoseksuele gerichtheid;
  • problemen door [persoon 1] ;
  • politieke activiteiten.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar acht alle overige elementen uit het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig. De minister heeft de asielaanvraag van eiser wederom afgewezen als ongegrond.

De beoordeling van de rechtbank

De omvang van het geding en het beoordelingskader
5. De rechtbank stelt als eerste vast dat de uitspraak van deze rechtbank van 25 juli 2022 kracht van gewijsde heeft nu de minister niet in hoger beroep is gegaan. De vraag die daarom in deze procedure ter beoordeling voorligt, is of de minister met het bestreden besluit aan de opdracht van de rechtbank heeft voldaan. Deze vraag zal de rechtbank beantwoorden aan de hand van het kader dat is vastgesteld in de eerdere uitspraak en hetgeen eiser in zijn beroepsgronden naar voren heeft gebracht.
Artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn [4]
6. Eiser voert in zijn beroepsgronden aan dat de minister zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt stelt dat artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn niet van toepassing is, omdat niet van een ambtenaar verwacht mag worden dat hij elke mogelijke tegenstrijdigheid scherp heeft. Door eiser zo vaak te horen is de kans groot dat misverstanden ontstaan. Juist daarom had het in de reden gelegen dat de ambtenaar dit wél scherp heeft. De ambtenaar had niet eerst in het voornemen een rits aan tegenstrijdigheden moeten tegenwerpen maar eiser tijdens het gehoor daarmee moeten confronteren en in de gelegenheid moeten stellen daarop te reageren. Daarom heeft de minister volgens eiser in strijd gehandeld met artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn moet de verzoeker bij het afnemen van persoonlijk onderhoud in de gelegenheid moet worden gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen en/of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verhaal. De rechtbank stelt vast dat eiser naar aanleiding van hetgeen in de zienswijzen is gesteld aanvullend is gehoord op 18 mei 2021 en voor een tweede keer op 2 september 2021. Uit artikel 16 van Pro de Procedurerichtlijn volgt niet dat de minister de vreemdeling alleen tegenstrijdigheden mag tegenwerpen waarmee de vreemdeling tijdens een gehoor is geconfronteerd. De rechtbank volgt het standpunt van eiser, dat de ambtenaar de tegenstrijdigheden niet voor het eerst in het voornemen maar tijdens een gehoor aan eiser had moeten tegenwerpen, daarom niet. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser met de zienswijzen voldoende in de gelegenheid gesteld om te reageren op de tegenstrijdigheden die hem in het voornemen zijn tegengeworpen. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Afdeling [5] van 22 januari 2024 [6] . De beroepsgrond slaagt niet.
Het referentiekader
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister zijn referentiekader ten onrechte baseert op een gedateerd medisch advies van FMMU [7] en eisers referentiekader ook niet op deugdelijke wijze bij de besluitvorming heeft betrokken. Het referentiekader is door de minister gebaseerd op hetgeen uit het FMMU medisch adviesrapport van 27 mei 2020 volgt en de verschillende opleidingen en werkervaring van eiser. Met betrekking tot het referentiekader concludeert de minister dat in alle redelijkheid van eiser kan worden verwacht dat hij zo volledig mogelijk verklaringen kan afleggen en inzicht kan geven over zijn homoseksuele gerichtheid. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister, door op deze wijze het referentiekader te duiden, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of alle relevante omstandigheden (medische omstandigheden, onderwijs etc.) in de beoordeling zijn betrokken en op welke wijze die omstandigheden zijn betrokken bij het vermogen van eiser om volledige en gedetailleerde verklaringen over zijn homoseksuele gerichtheid af te leggen.
7.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielmotief rekening dient te houden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. [8] Verder blijkt uit Werkinstructie 2024/6 [9] dat de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielmotief kenbaar rekening moet houden met wat in zijn algemeenheid van de vreemdeling verlangd mag worden. Bij het referentiekader van de vreemdeling kunnen de volgende aspecten van belang zijn: leeftijd, geslacht, opleiding, land/gebied van herkomst, cultuur, maar ook aspecten zoals het werk dat hij deed, hoe groot zijn leefgebied was en of hij bijvoorbeeld toegang had tot internet, (sociale) media en dergelijke. [10]
7.2.
De rechtbank overweegt dat zowel in het voornemen van 13 juli 2023 als in het bestreden besluit, die beide ten grondslag liggen aan dit beroep, het referentiekader niet kenbaar is betrokken. Dat volgens de minister uit de inhoud van het bestreden besluit blijkt dat het referentiekader bij de beoordeling van de asielaanvraag is betrokken, volstaat volgens de rechtbank niet en is ook niet in overeenstemming met de Afdelingsjurisprudentie en eigen werkwijze van de minister. In het voornemen en in het bestreden besluit wordt enkel overwogen dat rekening is gehouden met eisers referentiekader. Waar eisers referentiekader uit bestaat, blijft naar het oordeel van de rechtbank onduidelijk. Uit het bestreden besluit blijkt niet vanuit welk referentiekader is gehoord en hoe daarmee rekening is gehouden bij de beoordeling van eisers asielaanvraag. Dit klemt temeer nu eiser uitgebreid heeft toegelicht dat hij in een schaamtecultuur is opgegroeid en wat dit met hem en zijn gevoelens heeft gedaan. Zo heeft eiser verklaard dat in zijn familie en omgeving niet openlijk over seksualiteit werd gesproken en dat hij pas later begreep dat zijn gevoelens haaks staan op religieuze en maatschappelijke verwachtingen in Egypte. Dit heeft bij hem geleid tot negatieve (angst)gevoelens en een verborgen leven. [11] Eiser heeft zich ook beroepen op hoe emoties in veel niet-westerse culturen worden ervaren en aandacht gevraagd voor de culturele verschillen [12] . De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met in het bijzonder de (culturele) achtergrond van eiser bij de beoordeling van zijn asielaanvraag. De beroepsgrond slaagt.
De eerdere ontkenning van de homoseksualiteit (“valse start”)
8. Voordat de rechtbank ingaat op de beroepsgronden gericht tegen de tegenwerpingen in het bestreden voor wat betreft eisers gestelde homoseksuele gerichtheid en op de vraag of de minister aan de bewijsopdracht van de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2022 heeft voldaan, bespreekt de rechtbank het volgende.
9. Eiser stelt zich in zijn beroepsgronden op het standpunt dat de minister ten onrechte aan hem tegenwerpt dat hij eerder zijn homoseksualiteit heeft ontkend. Eiser wijst erop dat de minister in het (ingetrokken) besluit van 17 januari 2023 een ander standpunt heeft ingenomen. Toen is immers overwogen dat de indicaties die zouden wijzen op ongeloofwaardigheid, elk op zichzelf, te excuseren en te beredeneren zijn. Eiser stelt dat de minister in het bestreden besluit reden ziet om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van zijn seksuele gerichtheid
omdathij dit eerder expliciet heeft ontkend. Eiser verwijst hierbij naar de passage uit Werkinstructie 2019/17 [13] over opvolgende aanvragen waarin staat dat bij de beoordeling of de seksuele gerichtheid een nieuw gebleken feit of omstandigheid is, niet aan de vreemdeling mag worden tegengeworpen dat hij niet eerder over zijn homoseksualiteit heeft verklaard.
9.1.
Niet in geschil is, dat eiser niet meteen heeft verklaard over zijn homoseksuele geaardheid en dat hij dit eerder zelfs heeft ontkend. Op de zitting hebben partijen dit aangeduid als “valse start”. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit dat de minister nog altijd veel gewicht toekent aan de eerdere ontkenning van eiser van zijn homoseksuele gerichtheid. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister in dit stadium niet meer aan eiser mag tegenwerpen dat hij zijn homoseksuele gerichtheid in eerste instantie heeft ontkend. De rechtbank benadrukt hierbij dat eiser twee keer aanvullend is gehoord over zijn homoseksuele gerichtheid, zijn eerdere beroep vervolgens gegrond is gegaan omdat de minister op verschillende punten in de besluitvorming onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk zou hebben gemaakt, de minister daarop een nieuw besluit heeft genomen, dat besluit vervolgens heeft ingetrokken en daarop een nieuw voornemen heeft uitgebracht, gevolgd door het onderhavige bestreden besluit. Eiser zit sinds 2019 in deze procedure en heeft zijn asielrelaas meerdere malen in gehoren en stukken toegelicht.
9.2.
De rechtbank maakt uit de motivering van het bestreden besluit op dat het feit dat eiser in eerste instantie heeft ontkend homoseksueel te zijn, in belangrijke mate heeft doorgewerkt in de geloofwaardigheidsbeoordeling en de minister eisers asielrelaas met deze blik heeft bekeken. De rechtbank licht dit toe aan de hand van enkele passages uit de besluitvorming. In het bestreden besluit heeft de minister herhaaldelijk overwogen dat eiser in vijf gehoren meerdere keren de kans heeft gekregen om zijn verhaal te onderbouwen en dat dit telkens leidde tot nieuwe afwijkende verklaringen. [14] Feit is echter dat eiser niet vijf, maar twee keer is gehoord over zijn seksuele gerichtheid. Daarnaast wordt aan eiser herhaaldelijk tegengeworpen dat het feit dat eiser expliciet heeft ontkend homoseksueel te zijn of dit asielelement niet meteen heeft benoemd, afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de gestelde homoseksuele gerichtheid. [15] Deze overweging miskent echter de uitleg die eiser heeft gegeven voor zijn aanvankelijke opstelling. Ook wordt meerdere keren aan eiser tegengeworpen dat het onduidelijk is wat er is gebeurd waardoor eiser toch in zijn zienswijzen van 19 februari 2021 en 6 april 2021 voor zijn homoseksuele gerichtheid uit durfde te komen. Ook deze overwegingen doen geen recht aan de toelichting die eiser in dit verband heeft gegeven. En als de minister die uitleg niet duidelijk vond, dan valt niet in te zien waarom de minister eiser sinds 2 september 2021 niet meer heeft gehoord. Het gaat hier weliswaar niet om op een opvolgende asielaanvraag, waarop de door eiser aangehaalde werkinstructie ziet, maar de rechtbank ziet wel paralellen met zo’n situatie. Het gaat hier immers om een pas later opgeworpen asielmotief in een eerste asielaanvraag, waarna nieuwe gehoren hebben plaatsgevonden en een nieuw voornemen is uitgebracht. Zo bezien is de door eiser gestelde homoseksualiteit wel degelijk op te vatten als een nieuw gebleken feit of omstandigheid.
9.3.
Gelet op al deze aangehaalde feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de eerdere ontkenning van de homoseksualiteit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid ervan. De beroepsgrond slaagt.
De geloofwaardigheidsbeoordeling
10. Eiser betwist dat hij wisselend, innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende inzichtelijk over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid heeft verklaard. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat de minister zijn verklaringen tijdens de aanvullende gehoren niet integraal en in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Als de minister dat wel had gedaan, was het duidelijk geweest dat eiser een consistent, gedetailleerd en persoonlijk verhaal heeft verteld.
11. De rechtbank zal verschillende tegenwerpingen in het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden per onderdeel toelichten.
Het acceptatieproces (en de relatie met [persoon 2] )
12. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn acceptatieproces onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt door middel van zijn verklaringen. De rechtbank heeft in de uitspraak van 25 juli 2022 al geoordeeld dat eiser heeft verklaard hoe de relatie met [persoon 2] ontstond, hoe eiser zich voelde tijdens de relatie en hoe hij invulling gaf aan de relatie met [persoon 2] . Concreet verklaart eiser dat hij gevoelens heeft gekregen voor zijn neef, [persoon 2] , en dat zij samen intiem zijn geweest. Eiser verklaart dat hij merkte dat hij verliefd werd op [persoon 2] , omdat hij altijd met hem samen wilde zijn en zich met [persoon 2] gelukkig voelde. Op de vraag
wanneereiser dacht dat hij voor het eerst verliefd werd op [persoon 2] , antwoordt eiser dat hij zich afvroeg of hij niet verkeerd bezig was of anders was. [persoon 2] heeft eiser geholpen zichzelf te accepteren en dat [persoon 2] het geheim zou beschermen, omdat hij een familielid is. Eiser verklaart dat hij dacht dat hij verkeerd bezig was, omdat hij is opgegroeid in een gesloten familie waarin niet openlijk over seksuele dingen werd gepraat. Zijn familie maakte hem bang om daarover te praten. Eiser verklaart dat hij het vreemd vond toen hij deze gevoelens kreeg, dacht dat het niet normaal was en het niet was wat hij had geleerd en meegekregen. Eiser verklaart dat hij angst ervaarde, omdat het iets onnatuurlijks was en dat hij bang was in de problemen te komen met zijn familie. [16] Verder verklaart eiser dat hij meer wilde weten over homoseksualiteit en hier vaak met [persoon 2] over heeft gesproken. Ook verklaart hij daarna zelf op zoek ging op het internet, om te kijken of het echt iets normaals is, of dat het een ziekte is en of er iets medisch over te vinden is. Eiser dacht dat het in het algemeen een psychisch probleem was. [17] Eiser verklaart verder dat hij een jong was toen hij homoseksuele gevoelens had. Hij licht toe dat hij dit gevoel continu had. Toen hij jong was had hij nog geen informatie, maar het voelde toen goed. Naarmate eiser ouder werd, toen hij dertien of veertien jaar oud was, zijn de gedachten in zijn hoofd overgegaan in seksuele handelingen. Daarna ging hij daar extra over nadenken. Toen hij acht of negen jaar oud was, had hij daar nog geen vragen over. [18] Op de vraag wanneer eiser zichzelf heeft geaccepteerd als homoseksueel, antwoordt eiser dat hij het exacte jaartal of datum niet weet, maar dat hij door fases is gegaan. Hij werd zich ervan bewust, dacht eerst dat het een ziekte was en dat hij behandeld moest worden. Eiser kwam vervolgens erachter dat het niet mogelijk was om zichzelf te veranderen en heeft zichzelf toen geaccepteerd. [19]
12.1.
De rechtbank overweegt dat deze verklaringen niet summier, vaag en tegenstrijdig zijn en dat eiser – in tegenstelling tot hetgeen de minister stelt – niet blijft steken in algemeenheden. Zijn verklaringen over zijn gevoelens van angst, de toename van informatie en begrip, het besef van taboe en zijn ontwikkeling in de puberteit laten zich niet kwalificeren als wisselende of elkaar tegensprekende verklaringen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van eiser een consistent, gelaagd bewustwordings- en acceptatieproces laten zien en inzicht geven in de relatie met en de gevoelens voor [persoon 2] . De rechtbank volgt het standpunt van de minister, dat deze verklaringen van eiser niet stroken met de verklaring van eiser over het nodig hebben van literatuur om te bevestigen dat homoseksualiteit geen ziekte is, evenmin. Niet valt in te zien waarom het lezen van literatuur niet naast het bewustwordingsproces van zijn homoseksualiteit door onder andere de relatie en gesprekken met [persoon 2] kunnen bestaan. De beroepsgrond slaagt.
De relatie met [persoon 3]
13. De rechtbank is daarnaast met eiser van oordeel dat hij zijn authentieke persoonlijke verhaal heeft verteld door middel van de verklaringen over zijn relatie met [persoon 3] . In de uitspraak van 25 juli 2022 is al geoordeeld dat eiser heeft verklaard hoe hij zich voelde toen hij een relatie begon met [persoon 3] , hoe hij [persoon 3] heeft ontmoet, hoe hij erachter kwam dat [persoon 3] in hem geïnteresseerd was en wat [persoon 3] voor hem betekend heeft. De rechtbank overweegt in dit verband dat eiser verklaart hoe hij [persoon 3] op het strand heeft ontmoet en dat zij samen hebben gestudeerd. [20] Op de vraag wat eiser zo leuk vond aan [persoon 3] en welke karaktereigenschappen eiser aantrokken in [persoon 3] , verklaart eiser dat [persoon 3] zoals eiser denkt en hem begreep. Het heeft eiser nog meer geholpen zichzelf te accepteren en eiser had die bevestiging nodig. Eiser verklaart dat de relatie met [persoon 3] geheim was voor [persoon 2] en dat ook [persoon 3] niet afwist van eisers relatie met [persoon 2] . [21] De rechtbank volgt het standpunt van de minister, dat het onduidelijk is hoe eiser door [persoon 3] meer zelfvertrouwen en acceptatie kreeg, omdat eiser van [persoon 2] al informatie en goede antwoorden heeft gekregen, eiser nog meer informatie heeft gelezen én dat eiser zichzelf al had geaccepteerd, niet. Zoals hierboven al is overwogen, heeft eiser zijn acceptatieproces met zijn verklaringen inzichtelijk gemaakt. Eiser heeft gedetailleerd verklaard over zijn relatie met [persoon 3] en heeft ook uitgelegd welke betekenis deze relatie had voor zijn acceptatieproces. Niet valt in te zien waarom de verklaringen over de relatie met [persoon 3] niet persoonlijk genoeg zouden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze verklaringen een aanvulling op zijn acceptatie- en bewustwordingsproces. Ook deze beroepsgrond slaagt.
De contacten in de gayscene in relatie en beleving homoseksuele gerichtheid in Egypte
14. Eiser verklaart dat hij in contact is gekomen met mensen uit de lhbti-gemeenschap in Egypte via WhatsApp en Facebook. Hij las deze berichten, waarin onder andere werd gesproken over gevoelens voor mensen van hetzelfde geslacht. Hij verklaart dat hij er op deze manier achter kwam dat hij niet alleen was, maar dat hij er ook achter kwam dat homoseksualiteit in Egypte een taboe is. Dat het een taboe is, maakte eiser een beetje bang. Op de vraag hoe eiser daarmee omging, antwoordt hij dat hij bang was dat anderen aan zijn gedrag zouden kunnen zien dat hij homoseksueel is en dat het heel belangrijk was dat hij alle handelingen privé deed, omdat families hun kinderen vermoorden vanwege homoseksueel gedrag. Hij verklaart verder dat hij echt niet met zijn familie over zijn homoseksuele gevoelens kan praten, behalve met [persoon 2] . Eiser vond het moeilijk om zijn gevoelens voor zijn familie geheim te houden, was bang en was er zeker van dat de reactie van zijn familie niet goed zou zijn. [22]
14.1
Ook op dit punt is de rechtbank van oordeel dat eiser inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij zijn homoseksuele gevoelens in de Egyptische samenleving heeft beleefd. De tegenwerping van de minister dat het tegenstrijdig is dat eiser in het eerste aanvullend gehoor van 18 mei 2021 heeft gesteld dat hij angstig is ingesteld, maar dat eiser verklaart dat hij een beetje bang was maar dat het uiteindelijk wel goed was en het hem geholpen heeft met accepteren, volgt de rechtbank wederom niet. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onlogisch dat eiser bang was voor de reacties van anderen en om die reden (nog) niet openlijk homoseksueel was, maar wel via sociale media in contact was met mensen uit de lhbti-gemeenschap in Egypte nu hij verklaart dit in het geheim te doen. De rechtbank ziet niet in wat hier ongerijmd aan is. Ook hier heeft de minister de culturele achtergrond van eiser onvoldoende betrokken. Deze beroepsgrond slaagt eveneens.
De moeder en zus van eiser
15. Eiser stelt zich daarnaast terecht op het standpunt dat de minister de verklaringen die hij heeft gegeven over waarom hij nog steeds bang is dat zijn moeder achter zijn geaardheid komt, ten onrechte niet bij de beoordeling van zijn asielaanvraag heeft betrokken. Eiser verklaart dat zijn moeder en zus allebei streng zijn [23] en dat zijn zus en haar man erop tegen zijn dat eiser in Nederland asiel heeft aangevraagd vanwege zijn seksuele geaardheid. [24] De rechtbank merkt op dat de minister nauwelijks op dit punt in de aanvullende gehoren heeft doorgevraagd. Als de minister van mening is dat deze verklaring niet toereikend is, had het op de weg van de minister gelegen om daarop door te vragen Eiser heeft in de eerdere procedure maar ook in de huidige zienswijze een toereikende verklaring gegeven waarom hij nog steeds bang is dat zijn moeder achter zijn seksuele geaardheid komt. De minister heeft deze uitleg ten onrechte niet betrokken. Het standpunt van de minister dat eiser op dit punt tegenstrijdig heeft verklaard, ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een draagkrachtige motivering. Deze beroepsgrond slaagt eveneens.
Het tweemaal aangaan van een huwelijk
16. Tot slot voert eiser aan dat de minister ten onrechte aan eiser tegenwerpt dat diepgang in eisers antwoord op de vraag waarom hij tot twee keer toe getrouwd is met een vrouw ontbreekt. Eiser verwijst hierbij naar wat hij hierover in de zienswijze naar voren heeft gebracht en stelt dat de minister hier ten onrechte aan voorbij is gegaan.
16.1.
De rechtbank stelt voorop dat in de uitspraak van 25 juli 2022 al is geoordeeld dat eiser heeft verklaard dat hij getrouwd is omdat hij zijn geaardheid wilde camoufleren, omdat het zou opvallen als hij lang ongetrouwd zou blijven maar wel veel met [persoon 2] zou blijven omgaan. Verder is geoordeeld dat eiser heeft verklaard dat hij een kinderwens had en dat hij wilde dat zijn tweede vrouw voor zijn moeder zou zorgen. De rechtbank merkt verder op dat eiser tijdens de gehoren alle vragen heeft beantwoord. Aan eiser zijn echter weinig vragen gesteld over het aangaan van twee huwelijken en hoe dit voor hem was, gezien zijn homoseksuele gerichtheid. In het aanvullend gehoor van 18 mei 2021 zijn slechts drie vragen gesteld over hoe eiser zich voelde in beide huwelijken, [25] maar is daar naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende op doorgevraagd. Eiser verklaart onder andere dat de relatie met zijn ex-vrouw niet goed was, maar dat hij het contact met zijn zoon wil behouden. De rechtbank acht deze verklaring voorstelbaar, nu eiser immers ook verklaart dat hij zijn dochter uit zijn eerste huwelijk niet mag zien en hoeveel moeite hij hiermee heeft. De rechtbank volgt de minister dan ook niet in het standpunt dat eisers verklaring ongerijmd is. Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de verklaring van eiser dat hij opnieuw met een vrouw is getrouwd, omdat hij een kind wilde, dat deze vrouw voor zijn moeder kon zorgen en dat het zou opvallen als hij lang ongehuwd zou blijven. Deze verklaring moet bovendien worden bezien in de culturele context. Ook in het aanvullend gehoor van 2 september 2021, heeft de minister in het kader van de twee huwelijken alleen vragen gesteld die gaan over het contact dat eiser heeft met zijn echtgenote en ex-vrouw en over een gebeurtenis waardoor zijn echtgenote gevaar loopt door eisers homoseksuele gerichtheid. De rechtbank overweegt dat geen vragen zijn gesteld over hoe eiser de relatie met zijn echtgenote en ex-vrouw heeft ervaren, nu hij stelt zich niet tot vrouwen aangetrokken te voelen [26] . In het voornemen heeft de minister overwogen dat eiser slechts op hoofdlijnen heeft verklaard over de twee huwelijken, dat diepgang ontbreekt en dat zijn verklaringen te summier zijn. Hoewel deze kwalificaties, zoals hierboven toegelicht, geen recht doen aan de verklaringen van eiser, heeft eiser hier in de zienswijze nog uitvoerig op gereageerd. De minister is hier in het bestreden besluit echter niet op ingegaan. Het besluit mist op dit punt een draagkrachtige motivering. Ook heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank de verklaringen van eiser op dit punt onvoldoende in eisers culturele context geplaatst. De minister heeft de verklaringen dus niet integraal beoordeeld. Hiermee is dus niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank van 25 juli 2022. Deze beroepsgrond slaagt ook.

Conclusie en gevolgen

17. Uit het voorgaande volgt dat de minister het bestreden besluit niet met inachtneming van de eerdere uitspraak van deze rechtbank heeft genomen. De minister heeft de verklaringen van eiser onvoldoende in onderlinge samenhang bezien en daarmee geen integrale beoordeling van eisers asielrelaas gemaakt.
18. De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van evidente tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser en dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser algemeen, wisselend en ongerijmd heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid in de twee aanvullende gehoren van 18 mei 2021 en 2 september 2021.
19. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke motivering berust. Het beroep is daarmee gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. De minister zal de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling opnieuw moeten verrichten. De minister heeft de asielaanvraag van eiser daarom ten onrechte afgewezen als ongegrond. De rechtbank vernietigt om die reden het bestreden besluit.
20. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb [27] dat de minister een nieuw besluit moet nemen. De minister dient een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten met inachtneming van deze en de vorige uitspraak van de rechtbank. De minister dient daarbij alle feiten en omstandigheden die eiser in deze beroepsprocedure naar voren heeft gebracht, eisers culturele achtergrond en het referentiekader van eiser kenbaar te betrekken. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.
21. Gezien de lange voorgeschiedenis, heeft de rechtbank op de zitting besproken of het zin heeft om eiser bij een gegrond beroep opnieuw te horen. De rechtbank is van oordeel dat het geen meerwaarde heeft om eiser opnieuw te horen over de punten waarover hij al heeft verklaard en waarover de rechtbank – in deze en de vorige uitspraak – al heeft geoordeeld. Mocht de minister nieuwe informatie nodig hebben over de relatie van eiser ten opzichte van zijn moeder, zijn huidige echtgenote, ex-vrouw en/of zijn huidige partner, dan geeft de rechtbank de minister in overweging mee eiser specifiek op deze punten, al dan niet mondeling, gericht te bevragen. In dit verband wijst de rechtbank op de overweging van de minister in het bestreden besluit [28] dat het relaas “evident ongeloofwaardig is” en dat nogmaals horen “niet tot een ander oordeel zal leiden” in de procedure. De rechtbank hecht eraan op te merken dat bij het nader te verrichten onderzoek eiser wel een eerlijke kans moet krijgen en dat de minister zich vanzelfsprekend dient te houden aan zijn eigen beleid. Dat houdt in dat ook bij een nieuw gehoor nog steeds het uitgangspunt van onbevangenheid geldt.
22. De rechtbank ziet aanleiding om een dwangsom op te leggen gezien de lange duur van de procedure. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb dat de minister een dwangsom verbeurt als hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze dwangsom om de minister te stimuleren om spoedig te beslissen.
23. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,‑ (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 6 oktober 2023;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak en de uitspraak van 22 juli 2022;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna te noemen: de Vw).
2.Zaaknummer NL21.18970, ECLI:NL:RBDHA:2022:8699.
3.In het besluit van 11 november 2021 heeft de minister als asielmotieven eisers identiteit, nationaliteit en herkomst, eisers homoseksuele geaardheid, eisers problemen in Egypte door een machtig man in Dubai en eisers vermeende politieke overtuiging aangemerkt.
4.Richtlijn 23/32/EU.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Forensisch Medische Maatschappij Utrecht.
8.Zie de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:1622 en de uitspraak van 15 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2073.
9.Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
10.Pagina 7.
11.Onder andere op pagina 5 tot en met 8 van het nader gehoor van 2 september 2021.
12.Eiser heeft onder verwijzing naar diverse literatuur ook aandacht gevraagd voor de verschillen tussen WEIRD-culturen en andere culturen.
13.Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd, pagina 5.
14.Pagina 2 en 9 van het bestreden besluit en pagina 10 van het voornemen van 13 juli 2023.
15.Pagina 3 en 13 van het voornemen van 13 juli 2023.
16.Pagina 6 en 7 van het aanvullend gehoor van 18 mei 2021.
17.Pagina 6 van het aanvullend gehoor van 2 september 2021.
18.Pagina 9 van het aanvullend gehoor van 2 september 2021.
19.Pagina 12 van het aanvullend gehoor van 18 mei 2021.
20.Pagina 11 van het aanvullend gehoor van 18 mei 2021.
21.Pagina 15 en 16 van het aanvullend gehoor van 2 september 2021.
22.Pagina 6 en 7 van het aanvullend gehoor van 2 september 2021.
23.Pagina 12 van het aanvullend gehoor van 2 september 2021.
24.Pagina 18 van het aanvullend gehoor van 18 mei 2021.
25.Pagina 15 en 16.
26.Pagina 4 van het aanvullend gehoor van 2 september 2021.
27.Algemene wet bestuursrecht.
28.Pagina 5.