ECLI:NL:RBDHA:2026:3620
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.S. Gaastra
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring
De minister heeft op 29 september 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft deze maatregel reeds meerdere malen getoetst en concludeerde in eerdere uitspraken dat de bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek rechtmatig was.
In dit vervolgberoep heeft de rechtbank het verzoek van eiser om gehoord te worden niet ingewilligd, omdat het beroep tegen het voortduren van de bewaring op basis van de stukken voldoende beoordeeld kon worden. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting, dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, dat de voortzetting van de bewaring een punitief karakter heeft en dat de maatregel onevenredig bezwarend is.
De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld door herhaaldelijk te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten en een vertrekgesprek te voeren. Er is zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede gelet op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak. De voortzetting van de maatregel heeft geen punitief karakter en is niet onevenredig bezwarend, mede omdat eiser nog geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een andere belangenafweging rechtvaardigen.
De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig voortduurt en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard.